Het is een mooie dag en ik heb zin om eens ergens anders te lopen dan in de bekende natuurgebieden van de stuwwallen op de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug. Op de kaart ziet het gebied ten westen van Barneveld er aantrekkelijk uit: De Bylaer, Erica en Het Paradijs. Daar wil ik heen! Bovendien wil ik van station naar station lopen, dus ik begin in Hoevelaken, wil eerst langs de Barneveldse Beek, langs de plas daar ten noorden van en dan de groene zone in. 

Ik knoop voor deze tocht door de Gelderse Vallei stukken van het Marskramerpad, een Klompenpad, een wandeling van Gerrit de Graaff en ingetekende paden op mijn wandelkaart aan elkaar. Mijn route heb ik ingetekend op een wandelkaart, en hup op weg.

De route loopt van West naar Oost stroomopwaarts door het stroomgebied van de Barneveldse Beek. De Barneveldse Beek stroomt van Otterlo naar Amersfoort door de Gelderse Vallei. De Gelderse Vallei is een glaciaal bekken, ontstaan in de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Niet voor te stellen dat hier honderdduizend jaar lang een ijspakket van 300 meter dikte heeft gelegen.

Al snel ten zuiden van Hoevelaken kruis ik de Esvelderbeek. Ik ben dol op beken, maar helaas kan ik er niet langslopen. Of dat kan wel, maar mag niet, en vandaag blijf ik keurig op de paadjes.

Wat volgt is een lang stuk rechte asfaltweg. Ik bedenk bij elke stap dat dit een fraaie oprijlaan was van het voorname landgoed Stoutenbroek, misschien geniet ik er dan meer van. Ik denk de autos maar weg en geniet van het bladerdek van de eiken.

Net voor aan de linkerkant een bos begint, kruist de laan weer een beek: de Middelaarse beek. Door het bos loopt een verleidelijk pad de goede kant op, maar helaas mag ik er niet in. Even later weer zo’n pad, en weer mag ik er niet in. Mijn humeur daalt.

Een eindje verder mag ik dan eindelijk naar links. Deze brede zandweg loopt langs het voormalige Groot Stoutenbroek. Het huis is rond 1888 afgebroken. Ik mag niet in de oude tuin en kijk vanaf de zijkant, maar zie toch Adam en Eva: twee eeuwenoude eiken die op de landelijke monumentenlijst staan als oudste van Utrecht. Daar staan ze met zijn tweeen in het paradijs. Door de KNNV is dit gebied goed onderzocht met een interessant rapport over de bomen. Maar ja, ik mag alleen vanuit de verte genieten.

Langs de Barneveldse Beek ontmoet ik de drie grootste populieren die ik ooit heb gezien. De dikste heeft volgens de site Monumentale bomen een stamomvang van 5 meter. Ik zie ook een innig verstrengelde beuk/eik.

barneveldse beek 1813Even later een mooie stuw. Het is allemaal hetzelfde stroomgebied van de Barneveldse Beek die bij Amersfoort in de gracht stroomt, zie de oude kaart uit 1815. Afstanden staan op die kaart in uren gaans vermeld: Amersfoort – Lunteren is 2 2/4 uur lopen.

Het stroomdal van de Barneveldse Beek bestaat uit een afwisseling van smalle lange dekzandruggen en daartussen beekdalen. De hoge droge dekzandruggen zijn vanouds bewoond en in gebruik als landbouwgebied. De beekdalen zijn laag en nat en veel met bos begroeid. In natte tijden zijn stukken onbegaanbaar nat. De beekdalen liggen achter de boerderijen: de wegen lopen over de dekzandruggen. Er gaan vanouds geen wegen naar en door de beekdalen: blijkbaar had de boer zelf toegang tot zijn eigen stukje, en niemand stak door naar de achterburen.

Voor mij is dat natuurlijk jammer, want die beekdalen zijn het mooist om te wandelen.

De boeren richtten dit gebied in tot een kleinschalig coulissenlandschap. Maar een deel is herverkaveld, en daar loop ik helaas over asfalt ‘tot de horizon rechtdoor’. Bovendien zijn veel leuke weggetjes privetoegangswegen tot boerderijen en dus verboden toegang, ook al had ik via zo’n weg goed naar een mooi beekdal achter de boerderij gekund. Dus lang niet overal zijn de mooie beekdalen achter de boerderijen goed te bereiken. Dat is bijzonder jammer en hopelijk breidt het netwerk van klompenpaden zich nog eens zo uit dat de beekdalen te bewandelen zijn. Het Marskramerpad heeft daar ook last van. Ik kon ook niet bij de Juliusput, gegraven ten behoeve van het klaverblad bij Hoevelaken, ten zuiden van de A1 bij Hoevelaken. En daar had ik graag eens heen gewild, want dat kan ik altijd mooi zien vanuit de trein (vanaf de A1 zie je niets). Gelukkig komen er steeds meer klompenpaden bij, dus het kan alleen maar beter worden. Maar blijkbaar zijn de boeren hier niet zo fan van wandelaars.

Even later wil ik naar links, maar alle routes gaan naar rechts. Raar, ik had dit thuis anders uitgezocht. Links gaat naar de waterplas langs de A1. Er is daar een vissteiger, dus je mag er komen. Ik heb reuze pest aan loslopende boerderijhonden, dus met een diepe zucht ga ik toch maar naar rechts. Een eind verder weer een splitsing. Roodwit gaat naar rechts, en achteraf was dat misschien wel een goed idee geweest. Ik ga naar links richting de korenmoren De Oude Floris, bij Klaphek. Op die plek wil ik de meest westelijke punt van het natte beekdal van Kallenbroek in, maar helaas, ik vind geen opengesteld pad. Als je de nieuwe route van het Marskramerpad volgt – en dat raad ik je wel aan want dat scheelt een stuk lang recht druk asfalt – dan kom je niet in de buurt van de molen. Ik moet nu een stuk doorbijten over het landbouwgebied op een dekzandrug. Saai hoor.

Nou, dan maar boerderijen en dakpannen bekijken. Wist je dat er tientallen verschillende typen dakpannen bestaan? Bijvoorbeeld de Monnik en Non (verzin maar zelf hoe die liggen), de Oude Hollandse Pan, de Verbeterde Hollandse Pan en de Opnieuw Verbeterde Hollandse Pan.

Uiteindelijk bereik ik dan toch het Paradijs, Erica, Kallenbroek en De Bylaer. Ik weet niet zo goed wat wat is, maar het is prachtig. Met recht een Paradijs. Vroeger werd dit natuurlijk helemaal niet als een paradijs gezien, maar als hopeloos nat land waar je niets mee kon: elzenbroek. Landheren kochten zulke stukken woeste grond op voor een grijpstuiver, of voor niets, en gingen er jagen. Veel landgoederen liggen op gronden die niet geschikt zijn voor landbouw: op de Veluwe vanwege het zand, in het laagland vanwege het water. Nu zijn dit onze paradijsjes.

Ik dwaal wat rond, ben al snel mijn eigen route kwijt maar zie steeds weer roodwit. verdwalen kan hier niet, het paradijs is maar een klein stukje aarde, en stroomopwaarts komen alle beken uit Barneveld. Ik bekijk het watergeknutsel bij het punt waar de Kleine Barneveldse Beek en de Barneveldse Beek samenkomen. Het Marskramerpad komt ook langs dit punt. De kleine Barneveldse Beek is behoorlijk gekanaliseerd. Ik volg het kanaal en kom op meerdere plekken de oude loop tegen. Ook het Marskramerpad komt er weer bij en even verder sta ik bij een mooi waterpunt: de Kleine Barneveldse Beek kruist het kanaal. Ik zie hoe de waterstromen bij laag water en bij hoog water geleid worden. Mooi werk. Ik blijf langs het kanaal lopen, maar ga even verder samen met het Marskramerpad naar links. Een knuppelpad voert me dwars door een nat veld. Ik zie veenmos. Prachtig, maar het Marskramerpad laat dit mooiste pad van de route links liggen. Ik dwaal aan de hand van het boekje van Gerrit de Graaff heerlijk rond.

Ik zie rare dijkjes en slootjes en weer thuis zoek ik op vloeiweiden en Bylaer. En ja hoor, mijn vermoeden is juist, het was een kleinschalig landbouwgebied waar boeren heel precies gebruik maakten van de bodem, hoogte en water. “een traditioneel door boeren zelf geperfectioneerd irrigatiesysteem met vloeiweiden, kanalen en sloten”. Zie de prachtige site van Stromend landschap. Natuurmonumenten heeft dat niet ingezien en veel van dat oude cultuurwerk stuk gemaakt. Het is nu ook prachtig, maar het vloeiweidensysteem is weg.

Bylaer, 1870Een eindje verder verlaat ik het Marskramerpad definitief en ga op weg naar Barneveld. De Kallenbroekse Weg steekt de Kleine Barneveldse Beek over bij een brug die al in de negentiende eeuw op de kaart staat. Hier zijn het kanaal en de beek duidelijk zichtbaar. Op de wandelkaart staan beide aangegeven. Ik volg het kanaal  nog een eindje, maar het laatste stuk is wat het is: asfaltweg.

De Kleine Barneveldse Beek is in de stad nog lang te volgen langs de Van Hogendorplaan. Maar dan stopt het tegen de kale Nieuwe Markt. Daar groeit overigens een schitterende moerascypres. Ik vermoed dat het treinstation bovenop een oude watermolen is gebouwd. In de wijk ten oosten van het station loopt de beek weer zichtbaar door een park. Het zou Barneveld een goede boost geven als de Beek weer zichtbaar gemaakt zou worden in het stationsgebied en ook onder De Nieuwe Markt. Leuk toch?

Meer lezen?