Leersumse Veld detail
Het Veld in 1925, de drie vennen die nu het Leersumse Veld heten. In het meest westelijke ven is de kanobaan te zien als rechte lijn in het ven. In het veld is deze kanobaan groter met zijkanalen door het bos zodat je een leuk tochtje kunt kanoën.

Nog een gebied dat er op de kaart veelbelovend uitziet en waar ik nog nooit geweest ben: het Leersumse Veld. De reden dat ik er nog nooit geweest ben is super prozaïsch: het valt net buiten mijn wandelkaarten, ha. Op Google Earth zie ik voor het eerst de twee grote vennen en de heide daar ten zuiden van.

Zonder kaart is het lastig om een route uit te zetten. Op wandelnet.nl vind ik een LAW die er langs gaat. Nou die volg ik dan maar, zonder kaart. Ik stap uit bij de bushalte Donderberg in Leersum en zoek roodwit of roodgeel. De route gaat eerst langs de graftombe op de Donderberg en dan noordwaarts. Al snel is er geen steentje meer te zien op het pad: zand! Links en rechts dennenbos op bobbelig zand. Dit moeten stuifduinen zijn. Het zand zal hier in de luwte van de hoge stuwwal hoog zijn neergelegd.

De route gaat een hek door en komt even verder bij een heideveld. De route gaat hier links, over een verhard fietspad. Daar heb ik geen zin in: het is zondag dus met veel fietsers en bovendien houd ik niet van verharde paden. Ik steek het heideveld over en loop langs het bos aan de overkant. Een eenzame koe staat te loeien; zij is duidelijk haar kudde kwijt. Een half uur later hoor ik haar nog steeds, en als ik omkijk blijkt dat ze me is gevolgd! Ik ben de route toch kwijt en besluit de kudde op te zoeken. In de verte zie ik een hek en daarachter verwacht ik de kudde.

Ik loop die kant op en val bijna naar beneden. Nou moe, dit lijken wel loopgraven. Dat zijn het niet, het zijn gewoon erosiegeulen, ongeveer even diep als ik hoog ben en smal. Ik zie niets er bovenuit. Ik loop maar mee, kan toch niets anders, en geleidelijk klim ik omhoog door de geul en als die ophoudt en ik weer boven maaiveld kom, ben ik vlakbij het bedoelde hek.

foto ik
ik

 

 

Daarin een opening van een paar meter. Koe moet hier per ongeluk doorheen zijn gegaan toen de kudde in de buurt was. Ik zie het helemaal voor me. Eerst had ze nog niets door, zat er hoogstens een hek tussen haar en haar familie, maar de familie liep van het hek weg en daar stond ze in haar eentje. Ik ga de opening door, en ja hoor, in de verte zie ik veel meer koeien. Toevalligerwijs zijn die net bezig mijn kant op te lopen en zowaar is de verloren dochter een kwartier later weer verenigd met haar familie. Vanaf een bankje zie ik de hereniging gebeuren. Geen omhelzingen, geen geloei, geen geknuffel, maar ze zijn weer samen.

Ik ga, niet geleid door paaltjes noch kaart, naar links, want daar moet volgens mij het eerste ven ergens zijn. En zowaar kom ik een kilometer verder roodgeel weer tegen. Bevreemd dat roodgeel aan de verkeerde kant van het hek, onzichtbaar ver van het water, een breed verhard pad volgt waar zelfs een auto rijdt op dit moment, ga ik over een smal wandelpad langs het water.  Veel mooier.

Wat zijn dit voor vennen? Ondiep en veen, dat is me duidelijk, maar waarom hier?

Het is een onduidelijk verhaal. Volgens een site zijn de plassen misschien wel oude stroomdalen van de Rijn. Nou dat slaat nergens op, want sinds het ontstaan van de stuwwallen heeft de Rijn nooit meer door de Gelderse Vallei gelopen. Staatbosbeheer, toch niet de minste, stelt ‘Ontbossing en overbeweiding hebben in de loop van eeuwen de grond uitgeput. Het Leersumse Veld werd een gebied van stuifzand en heide, die op natte plaatsen ging vervenen.’  Nou dat slaat ook al nergens op, want als in 800 de groei van veen is begonnen, ligt er in 1800 hoogstens een decimeter veen en dat zou men echt niet hebben afgegraven; bovendien is het niet in overeenstemming met hoe veen groeit. Het veen moet duizenden jaren oud zijn, natuurlijke processen gaan niet zo snel. Een derde site heeft een logischer verhaal: in de laatste ijstijd, toen het hier net Siberië was, heeft de wind het aanwezige dekzand uitgeblazen tot op het grondwater. Dat klinkt beter.

Hier dan mijn verhaal: in de voorlaatste ijstijd, het Saalien, lag ijs in de Gelderse Vallei en zijn de stuwwallen opgestuwd. In Stuwwal leg ik uit hoe dit proces gegaan is. In de laatste ijstijd, het Weichselien, werd het hier een kale poolwoestijn, en kreeg de wind vrij spel. De wind stoof stuifduinen op, en blies andere vlaktes uit. Uiteraard blijft nat zand liggen, dus zodra al het droge zand weg is geblazen, houdt het verder op. Het Leersumse Veld is zo’n uitgeblazen laagte. Daar is een mooi Nederlands woord voor: een uitwaaiingslaagte. Op de iets hogere droge delen groeide bos en hei, in de lagere natte delen waterplanten en veenmos en daar ontstond veen. In de achttiende eeuw werd deze dikke laag veen afgegraven voor turf, en zo ontstonden de drie Leersumse plassen. Dit verhaal klinkt logisch, dus is waar (zoals mijn prof Kroonenberg stelde) tot er een feit opduikt dat het verhaal onderuit haalt.

Door het bos loopt een diepe geul, zou die te maken hebben met het ontstaan van het ven?  Is het veen afgegraven voor turf waarbij deze diepe geul is gebruikt om de turf af te voeren per boot? Thuis maar eens uitzoeken. (* wellicht denk je dat ik gek ben, maar die geulen vormen een oude kanobaan uit 1911. In 1911 werd het 80 hectare grote Leersumse Veld gekocht door M.C. Verloop uit Hilversum. Van de eerste plas liet hij een zwembad graven en er werden ook kanaaltjes gegraven om te kanoën. (Wikipedia)) Op bijgaande kaart uit 1925, bovenaan dit stukje, is deze kanobaan duidelijk te zien.

Even verder een dwarspad en aan de overkant, op ‘mijn’ pad een bordje met ‘vogelbroedgebied, verboden toegang’. Hmm, volgens mij gaat roodgeel ook om het noordelijke ven heen, maar dan moet ik naar de brede weg en daar heb ik geen zin in. (Weer thuis zie ik dat onder deze GROTE LETTERS kleintjes staan: van 15 maart tot 15 juli.) Nu ik toch zonder kaart op goed geluk aan het dwalen ben (verdwalen kan niet in Nederland, fout lopen natuurlijk wel, maar het is onmogelijk om zo te verdwalen dat je na een week honger en dorst dood ineenzijgt. In Afrika kan dat wel.), ga ik naar rechts. Dat blijkt een goede gok, ook al weet ik niet waar de andere kant me zou hebben gebracht.

Ik kom bij een opnameploeg van Vrije Geluiden, uitzending in november, over de Natuur. De ploeg neemt een ‘spontane natuurwandeling’ op langs het eerste ven. Nou als die hier opneemt, is het vast mooi hier.

Het pad loopt tussen twee vennen door. En dan zie ik iets wat mijn hart doet overslaan: duizenden en duizenden plantjes zonnedauw. Het tweede ven, zonder televisieploeg, is rood van de zonnedauw. Dit is genieten. Na het genieten loop ik door en kom bij de mooiste beukenrij die ik ooit heb gezien. Links ervan een oud landbouwperceel waar nu alleen bramen groeien. Honderden meter bramen in bollige bossen, ik ben helemaal blij met mijn toevallig gevonden route. Op de kaart van 1925 staan hier nog drie huizen. Nou, de huizen zijn weg, maar de landbouwpercelen en de bomenrijen zijn er nog.

Ik steek een wal over, dat bij turen op een hoogtekaart een lang duin blijkt, en kom bij een ANWB-paddenstoel en daarop staat Leersum 2,7 km. Ik ga die richting in, het Kors Paterpad, maar 2,7 km rechtdoor is niet mijn ding dus ik ga rechts, links en nog een keer links en rechts, en dan kom ik precies weer op het Kors Paterpad uit op weg naar Leersum. Dit pad loopt door een dal, links en rechts van mij gaat de helling omhoog. Het is of ik een soort pas over ga. Het zou toch niet ook een smeltwaterpoort zijn?

Vlak voor de bebouwing van Leersum ga ik dan toch naar links, want ik wil eigenlijk naar Amerongen. Ik loop een hele tijd langs de bebouwing van Leersum maar kom uiteindelijk toch op een prachtig pad op de rand tussen bos en akker en loop naar de weg beneden naar Amerongen. Koffie, bus en naar huis. Heerlijke middag!

Thuis zoek ik kaarten op, en bekijk het gebied op de fantastische sites van AHN, topotijdreis, paleografische kaarten en lees boeken en sites. Hmm, ik had beter eerder links kunnen aanhouden naar Amerongen, door een ander heidegebied en dan door het bos waar op de AHN een groot raatakkerveld is te zien, afwisselender.  Maar inderdaad, de Kors Paterpad loopt precies door een smeltwaterpoort. Dat is mijn nummer drie, ik noem het de Leersummerpoort en hier vertel ik meer over smeltwaterpoorten.

ahn kleur

Fijn om weer een doel te hebben voor een volgende tocht.