Dit is volgens mij de oudste kaart (Gelders Archief) van de Wageningse Berg. Jan Gielis tekende hem in 1550 naar aanleiding van een grensconflict tussen het Klooster van Renkum en de Landrentmeester van de Gelderse Rekenkamer.

4920-1550-30
GA 4920-1550-30

Het verhaal

Gielis was een afgezant van de Gelderse Rekenkamer, geen landmeter of cartograaf. Het kaartje heeft hij ‘op het beworp’ getekend, wat zoveel betekent dat hij het heeft geschetst achterop een bierviltje. Samen met Geert Nijland lees ik de kaart.

Johan Gielis reisde naar conflictgebieden, luisterde, maakte verslagen en tekende soms ter verduidelijking een schetsje. Het zelfstandige Gelre was in 1543 opgegaan in het Habsburgse Rijk en het nieuwe bestuur probeerde grip op de gronden te krijgen. Vaak ging het om gronden die sinds mensenheugenis in gebruik waren door omwonenden en die door anderen werden betwist op basis van formele papieren. Dit oude gewoonterecht werd steeds meer geformaliseerd. Gielis bekeek de formele aanspraken die op papier stonden en liet bovendien oude getuigen opdraven die konden vertellen hoe het gewoonterecht sinds menschen gedenken was. 

Den 13de auguste ano 1550 ben ik Jan Gielis in crachte van sekere cõmissen mij bij mijn Here Cancellire ende Raed deses vorstendoms Gelre gedaen, gecomen op sekere plaetse genaempt de Mouff gelegen onder Reynkum, stridich wesende tusschen den cõvente van Reynkum eens, ende den erveboer oft landtrentmeestere RMtt inden voerβ vorstendom anderdels. 

Het Convent van Renkum was het Onze Lieve Vrouwenklooster of Mariaklooster dat stond op de plek waar nu Parenco staat. Het klooster was in de tijd van Gielis een rijk vrouwenklooster. Gielis geeft op zijn schets aan dat ze delen van de bossen op de huidige Wageningse Berg en ONO in bezit hadden, maar hun bezit strekte zich ver uit over de uiterwaarden, grote delen van het Renkums Beekdal en aangrenzende velden.  

De kaart

Eerst oriënteren: Gielis tekent het noorden boven. Oost ligt Reijncum, west Wageningen en in het noordwesten Bennecom. In het zuijden stroomt den Rijn en er vaart een mooi zeilbootje, zo te zien naar het oosten (met dank aan Jaap). Daarboven een strook Venen ende Weerden. Daarboven een rij bomen en een rij blokjes en daarboven de Heerstrate die loopt van Reijncum naar Wageningen. Ik denk dat die blokjesrij de steilrand is van de stuwwal en dan ligt de weg daar bovenlangs. Bij het begin van het Renkums beekdal houden de blokjes op, dus dat klopt met mijn theorie. Aan het eind van de blokjesrij komen wegen en wallen bij elkaar: het punt waar Onderlangs op de Ritzema Bosweg komt en de oprijlaan van het ONO begint. Rechts daarvan het beekdal, links daarvan het bos. Dit punt is mijn houvast bij het lezen van deze kaart.

ahn grijs vrouwenpad, gecruyste kuylen

Tot zover is het eenvoudig, maar dan? We zijn inmiddels al twee weken bezig met deze kaart en ik heb het bijbehorende processtuk gelezen. Dit is echt intrigerend.

De Heerstrate loopt raar, logischer zou zijn dat de Heerstrate onderlangs gaat, maar dan vraag ik me af wat de strook blokjes is. Misschien heeft Gielis zo slecht geschetst dat hij de steilrand aan de verkeerde kant van die weg heeft gelegd.

Ten oosten van de stuwwal loopt een weg naar het noorden naar de oprijlaan van Gruenfoort. Dit kan niet anders dan de huidige Kortenburg zijn, de oprijlaan van het ONO.

Bij de Oprijlaan naar het ONO, begint een tweede weg die in een bocht naar Wageningen loopt. Het moet wel een voorloper van de huidige autoweg zijn. De grote bocht in die weg is er nog in de Generaal Foulkesweg. Hoewel ik dus nog steeds denk dat de Heerstrate Onderlangs is en de steilrand aan de verkeerde kant is getekend, hoe eigenwijs kun je zijn. In het processtuk staat daar niets over, want het gaat over iets anders.

Bij zo’n schets is het logisch dat Gielis het belangrijkste in het midden tekent.

Gielis moest uitzoeken hoe de grens liep tussen de gebieden van het Convent van Renkum en van de Landrentmeester van het Hof. Hij schrijft daarover: 

Besichticht hebbende die voerβ plaetse in bywesen van des paters ende verscheyden vrunden des voerβ cõvents ende des voerβ Rentmeesters hebbe ic daer bevonden staende eenen grooten eykenboom ende verscheyden cuylen daer op respõderende loopende duer den bosch aldaer, welke eyke ende cuylen des kijsers bosschen scheyden souden van die erve des voerβ cõvents. 

Hij tekent een rechte lijn met acht gecruyste cuylen. Ik heb geen idee wat ik me daarbij voor moet stellen. Kuilen met een kruis erin, een kruisweg? Gielis tekent geen kruisjes, maar echt kruisvormige flubbertjes. Geert denkt dat kuilen kruisvormig zijn gegraven als scheidskuilen. Kuilen gaven gewoonlijk de scheiding aan tussen gebieden van verschillende eigenaren. En deze waren blijkbaar cruijsvormig, maar dat is niet gewoon en ik kan hierover niets vinden in de literatuur.

Aan de oostkant eindigt de rij kuilen beneden bij een groote eijkeboom. Aan de westkant op een huevelken aldaer oick staende met een cuijl daer op. Ik ben, na twee weken turen en nachtenlang doorlezen om het zestiende eeuwse handschrift te ontcijferen, overtuigd dat dit de huidige Huchtlaan is, die kaarsrecht loopt van de oprijlaan tot op de Koerheuvel, de heuvel naast het heideveldje, met de prachtige beuk erbovenop, zie foto.

foto ONO
De Koerheuvel. foto: Mathilde, 2018

Ten zuiden van de Huchtlaan met de gecruyste cuylen, tekent Gielis vanaf dezelfde eykenboom naast de oprijlaan een tweede blokjesstrook, en noemt dit in het processtuk een blinde grave. Ook Witteroos tekent het in en noemt het out graefken dienende tot gescheit. We vermoeden dat dit een doodlopende wildgraaf is langs het bouwland van het convent. Doodlopend, omdat het niet twee plaatsen verbindt maar slechts is gemaakt om te voorkomen dat wild en vandalen het Cõvents Erfe oplopen en de oogst plunderen. Of dat koeien en schapen het bos in lopen. Het is een perceelsgrens maar hoeft niet per se de grens te zijn van het grondgebied. Dit graefke volgt grotendeels het huidige Slingerpad tussen de Huchtlaan en de N225. Bijzonder om te beseffen dat je daar loopt over een pad dat er 470 jaar geleden al lag, hoewel de bochten van later tijd zullen zijn. 

Het geschil ging erover of het Cõvents Erfe nou ophield bij de gecruijste cuijlen of bij den blind graefke. Gielis tekent bij de cuijlen twee gestippelde stukjes, en daar hadden Wageningers houdt afgehouden en gecapt met gewalt bijde bomen.

Soe die voerβ pater ende vrind sachten seggende voerβ dat die vanden voerβ cõvente over menschen gedenken inden vrindlike gebruyke vander voerβ erven geweest syn tot aand voerβ cuylen vuytgesonderte dat die van Wageninghen inden jare 40 õgeveerlick onder t dexel van sekere ghifte vanden vorst in deser tyt over die voerβ cuylen gecapt hebben ende een weynich grondes afgehouden dwelk sij gedaen hebben bij maniere van gewalt byde bomen recht als sy seyden. 

Met de gestippelde stukjes geeft Gielis blijkbaar afgegraven gronden aan waar ook hout is gekapt. Volgens de pater en een vriend, die het woord voeren namens de nonnen van het Convent, was dit op hun terrein en dus onrechtmatig. De Landrentmeester weerspreekt dit: 

Waer tegen die voerβ landtrentmeester seyde dat hij nyet en gelooft dat die voerβ cuylen die erve vanden vorst ende vanden voerβ cõvente scheyden souden maer dat sekere blinde grave aldaer liggende ende eyndende opter voerβ eykeboem die voerβ erve scheyden souden seggende voerts dat die RMtt inde possesse ende gebruyk ware van [lindthout] te houwen tot aanden blinde grave toe. 

Daar hebben het Convent en de Landtrentmeester ruzie over, en Gielis moet dit eerlijk uitzoeken. 

Gielis trommelt vier getuijghen op om erachter te komen hoe het gewoonterecht was, want dat staat uiteraard nergens beschreven. Alle getuigen die Gielis oproept verklaren dat de gecruijste cuijlen de grens zijn. Kortom, het Convent krijgt gelijk en Gielis maakt de bepalinge op waar hij dit kaertke bijvoegt.

Gysbert van Rossum syn olderdom nyet wetende maer olt alst scheen 60 jaren õgeverlick woenende tot Amerenge inden sticht van Utrecht […] seght voerts daerop gevraecht dat hij (is geleden ongeverlick 25 jaren) opte Mouft verkeert ende gearbeyt heeft ende gesien dat ter plaetsen daer die gecruyste cuylen nu staen doentertyt oick al sulke cuylen stonden ende te meer stonden heeft hoore seggen dat die erve vanden vorst ende van den cõvente van Reynkum daer deur gescheyden wordden. 

Gielis velt geen oordeel. Hij legt het conflict uit, schrijft de vier getuigenverklaringen op en voegt bovendien dit schetsje bij. 

[Ic] heb daer om vanden voerβ twisteger plaetsen aldaer gemaeckt een kaertke opt beworp. 

En vanwege dit conflict hebben wij nu 468 jaar later het oudste kaartje van de Moft in handen. 

Meer lezen?

Abonneer je om toegang te krijgen

Lees het stuk uit 1550 door je vandaag nog te abonneren.