Na de kaart uit 1635 maakt Nicolaes van Geelkercken enkele jaren later een nieuwe kaart van Wageningen (Gelders Archief). Hij heeft er duidelijk minder plezier in. Misschien moet het onbetaald overnieuw. De stad Wageningen kopieert hij snel en slordig. Geen koeien, geen boer achter een ploeg.

Aan de Grebdijck bij de aftakking van de Rijn (nu de haven) tekent hij het Brijnenshuijs. Dit Van Brienenshuis tekent hij buitendijks in de hoek van Grebbedijk en watertje, waar nu het bankje en beeld staat. Het was misschien een tolhuis, het was ook de voorloper van het Hof van Gelderland, wat overigens binnendijks lag.

Nicolaes schrijft Wagenîgen, met een nasale î.

wageningen 1642

Boven Wagenîgen tekent hij de Stadtsbrinck (toen al een knooppunt van wegen zonder stedelijk schoon), en daarboven de Huijβerbrink. Daarover heb ik geschreven in Wageningen in 1635. Dat stukje nieuwe stad noemt Nicolaes de Wageninckse Buert. Zo heet het 376 jaar later nog steeds. Op de kaart uit 1635 staat 4-Huijserbrink, maar de 4 heeft hij nu weggelaten. Misschien vond Nicolaes dat inmiddels een verouderde naam nu er meer huizen stonden, hoewel hij er minder tekent.

Waar lag De Ouden Dam? Ik denk dat het Marin op het groengekleurde perceel van het Catharinae Gasthuis ligt. Tussen de School De Dijk en Duivendaal ligt inderdaad een Dam, die blijkbaar geen mislukte poging tot vernieuwing in de Zestiger Jaren is, maar al ouder is dan 1635. Waar de Van Uvenweg op het grote kruispunt komt, steek je namelijk geen watertje over: Dam!!! Dat wil zeggen: ik vermoed dat het nu geen dam meer is, maar een Duiker. Niks Dam.

Waarom tekent Nicolaes na zeven jaar deze kopie? Het verschil tussen deze kaart uit 1642 en die uit 1635 ligt in het Wageningse Broek, het Binnenveld. Daarvoor moet je even de link naar het Gelders Archief volgen. Hij tekent dit keer een veel groter stuk land, waarschijnlijk om beter de ligging van landerijen van het St. Catharinae Gasthuis aan te kunnen geven. Mooi is te zien hoe de Kromen Eem en de Turf Grijft naer t Rhijnβe Veen naast elkaar bestonden en blijkbaar beide een functie hadden. De een voor de afwatering, de tweede voor turfvervoer. Jammer dat het punt dat mij interesseert, namelijk waar die twee samenkomen, er net niet op staat.

Het buitengebied geeft hij twee namen: den Nuij en Opt’ Nieu Landt. Den Nuij, nu de Nude, Neude, Noda was blijkbaar ouder, en dat is logisch want dat zijn zandruggen en komgronden van de Rijn. Door den Nuij lopen Het Huijppat, de Middelweg, en den Affwegh. Het Huppelpad en de Afweg liggen er nog net zo. De Middelweg is nu de N225. Bij de splitsing van de Affwegh en de Grebdijck tekent Nicolaes een pad de uiterwaarden in. Via dat pad kom je nu bij de jachthaven.

Ten noorden van die fijne vruchtbare strook langs de Rijn lag het uitgestrekte ontoegankelijke veen en broek, nu het Binnenveld, het Nieuwe Land dus. Wat men in die tijd al had drooggelegd, afgegraven en ontgonnen. De Dijkgraef, Haegsteegh, Rhijnsteegh, Slachsteegh en Veensteegh liggen er al.

Ik blijf op zoek naar kaarten van de ontginning van de bovendijkgraafse polders en het graven van de Dijkgraaf, maar ik raak zo langzamerhand overtuigd dat die niet bestaan. Wie weet meer?

 

Advertenties