Dit is het begin van een lange serie over het waterbeheer in Het Binnenveld. Boeiend, ingewikkeld en uiterst goed gedocumenteerd in de archieven vanwege eindeloze ruzies tussen Gelderland en Utrecht. Maar eerst het begin: het ontstaan van het dal en de heuvels.

Aan het eind van de Grote IJstijd in het Saalien begint het gigantische ijsveld in de Gelderse Vallei te smelten. Waar moet al dat water heen? Het kan geen kant op, ingeklemd tussen stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe die het ijsveld zelf heeft opgeperst. Water stroomt altijd naar beneden, en de laagste kant hier is het Noord-Westen. Maar die weg is vooralsnog afgesloten door ijs. Dat weliswaar aan het smelten is maar misschien duurt het wel duizend jaar voordat dit honderden meters dikke en honderden kilometers lange ijsveld gesmolten is.

(Abracadabra? Ga naar Het Verhaal van Nederland, deel 1: Precambrium en lees het hele verhaal)

Het water verzamelt zich tussen de stuwwallen en het smeltende ijsveld. Daar ontstaan meren met rustig water waarin allengskens fijn materiaal zich afzet. Op sommige plekken in Nederland is die afzetting nu nog zichtbaar. Zo niet langs de Utrechtse Heuvelrug en in de Gelderse Vallei, hoewel niet elke vierkante meter hierop onderzocht is. Maar waarschijnlijk was het geweld hier te groot. Want wat gebeurde er?

Het water staat hoog tegen de stuwwal aan en begint op de laagste plekken eroverheen te sijpelen. Op een gegeven moment breekt de hele stuwwal door, gutst het water erdoorheen en stroomt het meer leeg. Zo zijn de smeltwaterpoorten zoals de Darthuizerpoort en de Ginkelsepoort ontstaan, en dat is nu nog goed te zien. Waarschijnlijk ging het in de zuidpunt van het immense ijsveld in de Gelderse Vallei net zo: er ligt hier een meer, de stuwwal breekt door, het meer stroomt in hoog tempo leeg en sleurt de zooi uit het gat mee de Rijn in naar de Noordzee. Weg stuwwal, die ligt sindsdien op de bodem van de Noordzee.

Maar dan. Ten zuiden van de stuwwallen met de poort erdoorheen loopt de Rijn in zijn eeuwige stroom naar het westen. De Rijn verlegt steeds weer zijn loop en erodeert buitenbochten uit. Steeds weer slijpt hij stukjes van de stuwwallen af tot de opvallend steile hellingen van de Grebbeberg en Wageningseberg nu.

stuwwal tekening 2
tekening: Mathilde 2017 (klopt niet meer, moet ik bijwerken)

Dit proces van slijpen gaat nog altijd door maar houden wij nu met alle mogelijkheden die we hebben tegen. Tot in de zeventiende eeuw schuurt de Rijn bij Heveadorp en bij Arnhem grote stukken van de helling weg. De vlakte in Arnhem waar de Kunstacademie op staat is pas in de 17e eeuw ontstaan! Ja, dat is een ander verhaal.

Om te testen of in De Nude (het zuidelijkste stukje van de Gelderse Vallei) echt ijs en een stuwwal heeft gelegen, maak ik via het Dinoloket een doorsnede tussen de Grebbeberg en de Wageningse Berg. Op het kleine kaartje zie je de ligging van mijn doorsnede.

doorsnede valleipoort
bron: Dinoloket

De doorsnede vertelt het verhaal van het dal. Links de grijze Grebbeberg, rechts de Veluwe, daartussen de Nude in de Vallei. Onder de ijstijdafzettingen liggen in dikke horizontale lagen zeeafzettingen: groen BReda, donkergroen OOsterhout en blauw Maassluis. Daarop ligt de gele rivierafzetting van PeiZe en WAalre. Daarop ligt de grijze stuwwal DT. Hierin is het dal ingesneden, maar het gestuwde DT loopt door onder het dal, dus ja deze stuwwal was hier oorspronkelijk net zo hoog en het ijs of smeltwater is er doorheen gegaan. In het dal ligt oranje DR: keileem wat door ijs is achtergelaten. Daarop ligt rood KReftenheye; dat is een Rijnafzetting, dus blijkbaar heeft de Rijn hier na de Grote IJstijd nog gestroomd. Wat niet hoeft te betekenen dat de Rijn door de Gelderse Vallei naar het IJsselmeer stroomde (klinkt wel logisch), want het zou ook een buitenbocht kunnen zijn geweest. Op de Rijnafzettingen ligt het gele BoXtel, dekzand uit de laatste ijstijd, en groen HoLoceen.

Verder met het verhaal van het Binnenveld. We hebben inmiddels een dal, twee stuwwallen, een gat en de Rijn.

Na de ijstijd is het tienduizend jaar warmer, zoiets als nu, en we noemen die periode het Eemien. Het ijs smelt weg en het meer droogt op. In de Vallei zullen natte bossen gestaan hebben met wilg en els en er zullen dieren gelopen hebben. Er zullen mensen hebben geleefd die gejaagd hebben op die dieren en genoten hebben van de overvloed die de natuur hen gaf. Dit paradijs duurt ongeveer tienduizend jaar.

Dan wordt het weer snel kouder. Zo koud dat de plantenwereld verdwijnt. Gure winden waaien over de Vallei en zetten dikke lagen zand af. Niet een laag van een meter, nee doe maar honderd meter in de diepere delen. Op de hogere delen van de stuwwallen niet: daar ontstaan wel zandduinen, maar geen dikke lagen dekzand. Het gevolg is dat het grote hoogteverschil van honderden meters tussen de bodem van de Vallei en de top van de Veluwe vervaagd wordt tot net honderd meter. Dat is jammer. Als die ijstijd er niet was geweest, hadden wij geen vlak land gehad.

Zo’n 15.000 jaar geleden wordt het weer geleidelijk warmer. De bomen komen terug, de mensen volgen hen. Geleidelijk aan wordt het voller op de Veluwe en in de Vallei. Laten we eens kijken hoe de Vallei eruit zag in de Middeleeuwen vlak voor de eerste dorpen en steden ontstaan. Het Binnenveld in het jaar 800.