De diverse glaciale landvormen hangen met elkaar samen en vormen zelfs een vaste reeks. In de bijgaande figuur de reeks voor de zuidelijkste rij stuwwallen in Nederland, een doorsnede tussen Veenendaal en Den Bosch bijvoorbeeld. Hier is de reeks goed te zien doordat hij niet door een jongere ijstong is platgewalst en versmeerd zoals in het noorden van Nederland. Bij de zuidelijke stuwwallen van de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug ligt alles netjes volgens het leerboekje

tekening 24
tekening Mathilde, 2018

In de bovenste figuur de situatie in de voorlaatste ijstijd. Onderin gearceerd het oude land. In Nederland is de ondergrond in het zuiden (links) het hoogst: de ondergrond loopt af naar het noorden naar het ijs toe.

Vanuit het noorden rechts komt de ijstong aan die een glaciaal bekken uitperst in de ondergrond. Hij neemt grote keien en troep mee en versmeert de ondergrond. De ijstong perst de ondergrond omhoog tot een stuwwal. Die stuwwal erodeert hier en daar weg doordat smeltwater een dal inslijpt en er ontstaat een smeltwaterpoort. Aan de buitenrand van de stuwwal ligt een puinwaaier, een sandr, met daarin smeltwaterbeken. Ten zuiden van de sandr ontstaat een pradolina: het dal waarin smeltwater en rivieren samenkomen en verder stromen naar het lagere westen. Dit heet ook wel een oerstroomdal, maar dat vind ik een verwarrend woord. Ten zuiden van de pradolina het hogere oude land.

tekening 23 ijs
tekening Mathilde, 2018

In de onderste figuur de situatie nu. Het ijs is weg, het glaciale bekken van de Gelderse Vallei is opgevuld met nieuwe lagen en onderin liggen zwerfkeien (ik had ze afgerond moeten tekenen), stenen en keileem. De stuwwal, de smeltwaterpoort en de sandr liggen er nog net zo, hoogstens is alles wat glooiender en lieflijker. In de pradolina stroomt een meanderende rivier, of eigenlijk drie: de Rijn, Waal en Maas. Vanaf de sandr stroomt een beek, de Heelsumse Beek bijvoorbeeld. Ten zuiden van de pradolina ligt het hogere Brabant.

Advertenties