Deel 3 van deze serie over deze kaart uit 1649 van vader en zoon Van Geelkercken, nagekeken door  Passavant in 1676, gaat over het Wageningse deel van De Moft.

kaart 16 1408-1649-

De kaart is 59 cm bij 120 cm groot en gemaakt op perkament. Ik ben onder de indruk. In het midden zit een naad. Bij kaarten op perkament zie je dan soms steekjes met garen, maar het lijkt hier een plaklijn. Wat voor lijm blijft 370 jaar goed?

Linksboven Wageningen, linksonder Renkum, en daartussen loopt een weg: de huidige N225. Vanuit Renkum steek je eerst het beekdal over en dan kom je bij de stuwwal. Daar kan je kiezen: of je klimt de berg op, of je gaat onderlangs. Die keuze bestond al in 1649. Ik neem aan dat men liever om de berg heen liep of reed, maar als de Rijn hoog stond en het water tot aan de berg kwam, moest je er wel overheen. Een lage zomerweg en een hoge winterweg dus.

Het kruispunt op die plek is 370 jaar later nog net zo: hier komen Onderlangs, de oprijlaan naar ONO en de N225 bij elkaar. Het valt me zo vaak op hoe weinig het wegenpatroon is veranderd in de loop der eeuwen, en waarom zou je ook die moeite doen? Hetzelfde geldt voor sloten en dijken: meestal zijn de lijnen nog goed te herkennen in het veld en zeker op het AHN.

Deze vier wegen bestaan dus nog, alleen tekent Nicolaes twee wegen bovenover. De ene noemt hij ‘Hooghen Uijtrechtse Wegh’, de andere is naamloos. Wij (Geert Nijland en ik) vermoeden dat de weg bovenover is verplaatst. Wij denken dat de naamloze zuidelijke weg ouder is, en dat die zuidelijk langs het stadion liep (nee, dat lag er toen nog niet) en dan rechtdoor door het arboretum naar het het begin van de Holleweg en vandaar via de Generaal Foulkesweg naar Wageningen. Dat klinkt heel logisch als je de huidige topokaart en het AHN erbij pakt: als je vanuit Wageningen de Generaal Foulkesweg omhoog volgt en stug rechtdoor gaat zonder een enkele bocht, loop je die route. Ik kan me voorstellen dat Raesvelt, de koper van het bos langs de stuwrand geen weg door zijn gebied wou.

Linksboven op de berg een galg: dat is vlakbij de roos in het arboretum: een plek van leven en dood. Daar vlakbij loopt de weg naar Laeckmont, naar het Lexkesveer dus. Ik zie de Mincken Cuijl, waar nu het stadion ligt. Ik zie het verdwenen Vrouwenpat. En dan zie ik (precies in het midden van de volgende uitsnede) De Seven Huvels, met daarbij zeven miniheuveltjes gekriebeld. Dat moeten de grafheuvels zijn, kan niet missen, klopt precies, alleen liggen er nu nog maar vijf.

zeven heuvelen Wageningse berg

Het betekent dat er twee grafheuvels begraven zijn onder het asfalt, of hij heeft twee duintjes erbij gepakt. Immers, in Nicolaes’ tijd waren de grafheuvels nog niet zo mooi gerestaureerd als nu en misschien niet eens heel goed herkenbaar als iets bijzonders. Ik puzzel de hele kaart af of er nog meer grafheuvels op staan, maar nee helaas. Wel een steen en een paal, maar dat is in Ede. Over de Mincken Kuijl ga ik het ook nog een keer hebben. Bij de grafheuvels komen twee lijnen bij elkaar, een hoek in het landschap. Het perceel heet Den Heer Rasvelts hegge en Langenbergh. Raesvelt was een belangrijk man, eigenaar van de Kortenbergh, het huidige ONO, die heel wat grond had aangekocht.

Ik ben benieuwd of we de heuvels die Nicolaes tekent en noemt nog kennen. De Sonnenbergh heet nu de Wageningseberg; de top ligt even ten noorden van de rotonde. De Schonehul is het heuveltje precies in het verlengde van de Konininnelaan. Wij vermoeden dat dit een mooi heuveltje was, goed zichtbaar in het kale land, en het lag niet alleen in het verlengde van de nieuwe laan die Raesvelt had gemaakt, maar ook tussen de grote Sonnenbergh en de Koerbergh. De Koerberg heeft zijn top op de open plek langs de Geertjesweg. Wie fietst van Wageningen naar Nol in ’t Bosch voelt hem goed.

Ik zie ook de Meijberg die nu in Wageningen Hoog ligt. Verder de Clingenbergh en de Loijerscamer. Beide toponiemen (veldnamen) zijn me onbekend. Op andere oude kaarten staat de Loijerscamer ook, maar ik weet niet wat dat nu is. Werd hier leer gelooid? Dat zou je nu nog moeten zien, maar dan moet er wel water zijn en in het Moftbos is geen water, behalve wat zompige plekken en vijvers bij de Dikkenberg (zie deel 5).

Nog verder naar het noorden de Schijtelbergh, die naam bestaat niet meer. We zitten nu in de Oostereng, in de buurt van de oude stort. Hier liggen nu de grote en de kleine Vosseberg en landgoed de Keienberg (dat is waarschijnlijk een verzonnen naam). Tot zover de bergen in Wageningen.

Maar dan wordt het nog lastiger: Nicolaes doorkruist het bos met paden die voor een groot deel evenwijdig aan elkaar lopen. Ik kijk alleen naar het Wageningse deel, maar dan nog. In deel 1 heb ik al mijn vermoeden geuit dat de doorgangen van de wegen door de wildgraaf en de andere randen van het bos precies zijn ingetekend: de randen van het bos heeft Nicolaes immers opgemeten. In het bos zelf verbindt hij de punten met elkaar via niet zo precieze lijnen.

Een paar hoofdwegen lopen van oost naar west: Onderlangs, de Hooghe Uijtrechtsewegh, de huidige Koninginnelaan die Nicolaes doortrekt tot de Eng, de Wegh van Arnhem naer Benekom en de weg Van Hartten naer Bennekom. Nog steeds zijn dit de hoofdwegen door het bos, behalve de Koninginnelaan die nu doodloopt tegen De Dorschkamp. Maar ze lopen anders door het bos dan toen, legt Geert uit.

Tenslotte zes wegen van Wageningen naar het Noordoosten, naar Quadenoord of naar de Ginkelse Heide: de Laeckwegh, Plaggenwegh, Heijtwegh, Plaggenwegh naer de Wageningse buert, Van Quadenoort naer Wageningen, en de Ossenwegh. Waarom lopen zoveel wegen naast elkaar?  Waarom niet een goede? Ik vermoed omdat gebruikers verschillende soorten paden nodig hadden. Ossen kunnen niet klimmen en dalen, dus die weg loopt misschien zo horizontaal mogelijk. Ik weet dat rondom een terp of wierd in Friesland en Groningen een ossenweg loopt. Als een weg door ossen is vertrapt, is die misschien wel onbegaanbaar voor ander verkeer, dus ieder gebruik zijn eigen weg: land genoeg. De Heijtwegh is waarschijnlijk de schapenweg naar de Ginkelse Heide. Via plaggenwegen werden plaggen uit de heide per kar naar de Eng versleept om daar de landerijen te bemesten. Genoeg over de wegen, we komen erop terug.

Dan kijk ik nog eens wat meer in detail naar de kleurtjes, bomen en vlekken. In het bos tekent hij bomen als groene vlekjes. Ten zuiden van de Wegh van Arnhem naer Benekom tekent hij een dichter bos dan benoorden die weg. Of vond hij het wel goed zo en had hij geen zin meer? Nee, bij nader inzien is het ‘handschrift’ van tekenen verschillend. Links staan de boompjes apart op een schaduwtje, rechts staan de boompjes met twee of drie bij elkaar: vader en zoon hebben hier beiden aan gewerkt!

Op een plek tekent hij iets dat ik vind lijken op een zompig moeras.kaart 16 moft

Een groenbruine vlek met bomen erin. Wat zou dat zijn? Meer naar rechts, in Ede bij de Dikkenberg tekent hij ook een paar van die vlekken. Bij de Dikkenberg liggen inderdaad een paar natte plekken, onder andere een waterkolk. Er ligt dus blijkbaar in het Moftbos in Wageningen ook een natte plek. Ik ken er eentje vlakbij de ijskelder achter het ONO: daar is het altijd nat behalve afgelopen zomer. Maar dat klopt niet met de plek op de kaart en is bovendien van Raesvelt. Ik denk dat Nicolaes het smelwaterdal bedoelt ten noorden van het arboretum in de Oostereng, nu een prachtig beukenhallenbos met echo. Nicolaes schrijft iets in het groen, maar dat kan ik echt niet lezen. De eerste letter is een B, dan een u. Het lijkt op Buekenbos in de Moft. Als dat er echt staat, ligt daar al 370 jaar een beukenbos. Hoewel de huidige beuken jonger zijn, zie volgende foto:

IMG_20190319_131834.jpg
foto Mathilde

Dit is deel 3 van een serie over De Moft aan de hand van een kaart uit 1649. Deel 1 gaat over de contouren van de Moft en deel 2 over de gemeentegrenzen tussen Ede, Wageningen en Renkum. Hierna volgen nog deel 4 over Renkum en Harten en deel 5 over Ede. En misschien ook nog wel een deel 6.