Het Drents Plateau is de benaming van het wat hoger gelegen gebied, ruwweg gelegen binnen de denkbeeldige lijn tussen de plaatsen Groningen – Emmen – Coevorden – Meppel – Steenwijk – Drachten en weer terug naar Groningen. Vanaf het Saalien kent het Drents Plateau een min of meer eenvormige geschiedenis. Landijs heeft het reliëf bepaald door het achterlaten, en soms stuwen van keileem in verschillende fases.
Het ijs kwam in eerste instantie uit het noordoosten. In zowel hoogte- als geo(morfo)logische kaarten komt een noordoost – zuidwest patroon naar voren. Het patroon bestaat uit een aantal min of meer evenwijdig aan elkaar gelegen keileemruggen (figuur 1).

fig 1 ahn Drents Plateau
figuur 1. AHN kaart van het Drents Plateau. Het Plateau werd bijna geheel door veengebieden omgeven. Bourtanger Moor en Hunzedal in het oosten, Vechtdal en diverse kleinere hoogvenen in het zuiden, de verdronken hoogvenen van Noordwest Overijssel in het westen, veen en zeekleigebieden in het noorden en noordwesten.
De megaflutes van de Hondsrug zijn duidelijk zichtbaar. Het noordoost-zuidwest patroon is minder duidelijk en vooral aan de randen van het Plateau zichtbaar. Ten zuiden van Hoogeveen en ten noorden van Meppel (omgeving Steenwijk) zijn enkele lage stuwwallen te herkennen die zijn overreden door het ijs. bron: AHN

Onduidelijk is of dit patroon door druk van het dikke pakket ijs is ontstaan (flutings) of als gevolg van erosie tijdens het smelten van het ijs. Of een combinatie van die twee? Overigens heeft het genoemde keileem een veel grotere verbreiding dan enkel op het hier benoemde Drents Plateau; ook in de ondergrond van delen van Noord Holland, Friesland en Groningen is keileem aanwezig. Behalve enkele gestuwde afzettingen (Sellingen, Gaasterland, Urk, Wieringen en Texel) is deze daar echter bedekt met jongere afzettingen uit het Pleistoceen.

Opvallend is dat een groot deel van de natuurlijke afwatering van het Drents Plateau, de zgn. laaglandbeken, nog steeds de richting van de ruggen volgt. Ook in de keileemgebieden in het noorden van Duitsland is dit het geval (figuur 2).

fig 2 afwatering hondrug hummling, rappol
figuur 2. Afwateringspatroon van laaglandbeken in Noord Nederland en Noordwest Duitsland (uit Rappol, 1984, naar Hydrologische Atlas der Bundesrepublik Deutschland, 1979).
Een groot deel van de beken volgt de genoemde noordoost – zuidwest richting. Uitzonderingen zijn delen beïnvloed door de Hondsrug en de Syker Geest bij Bremen.

In een latere fase van het Saalien is de Hondsrug ontstaan. De in noordnoordwest – zuidzuidoost richting gelegen Hondsrug is markant in het landschap aanwezig en vormt het hoogste gedeelte van het Plateau. Markant in het landschap om dat deze in het oosten grenst aan het veel dieper gelegen Hunzedal. Maar ook op de hoogtelijnenkaart steken de evenwijdig lopende ruggen af tegen het overige deel van het Drents Plateau. In westelijke richting verloopt het hoogteverval geleidelijker. Zoals beschreven in dit blog, bestaat de Hondsrug uit een aantal evenwijdig aan elkaar gelegen ruggen vormgegeven door een ijsstroom: megaflutes.

In de bodem is keileem het meest verbreide overblijfsel van de aanwezigheid van landijs in Drenthe. De als grondmorene afgezette keileem is niet heel homogeen en bestaat (van fijn naar grof) uit klei, silt, zand, grind en stenen. Het leem werd onder hoge druk door het gewicht van het ijs uitgesmeerd en kent op veel plaatsen een bijzonder hoge dichtheid; daardoor laat het slecht water door. Het Drents Plateau ligt weliswaar hoger dan de omliggende gebieden, persé droog was het er niet!

In het Weichselien stokte het landijs ten noorden van Nederland. In een droog winderig poolklimaat werd vanuit het drooggevallen Noordzeebekken zand aangevoerd en als dekzand afgezet. Op het Drents Plateau vulde het zand deels de laagten ontstaan in het Saalien, maar ook op de hogere delen bleef dekzand als een deken op de glaciale afzettingen achter. Het meestal minder dan 2 meter dikke dekzandpakket zorgde zo plaatselijk voor een nivellering van het reliëf (figuur 4), maar voegde ook reliëf toe in de vorm van dekzandruggen (figuur 5).
Erosie door stromend water in de beekdalen versterkte het reliëf soms.

fig 3 ahn ligging doorsnedes
figuur 3: Overzichtskaart dwarsdoorsneden van figuur 4, 5 en 6 op AHN basis. bron: AHN, bewerking: Rob
fig 4 ahn dgm doorsnede zuidwolde hoogte en bodem rob
Figuur 4. Hoogtelijnenkaart en doorsnede van het bodemreliëf met geologische bodempakketten in het traject Zuidwolde – Ane.
UR Formatie van Urk
DN Formatie van Drachten
PE Formatie van Peelo
DR Formatie van Drenthe
BX Formatie van Boxtel
bron: Dinoloket – DGM v 2.2
fig 5 ahn dgm doorsnede drijber hoogte en bodem rob
Figuur 5. Hoogtelijnenkaart en doorsnede van het bodemreliëf met geologische bodempaketten in het traject Drijber – Wachtum.
bron: Dinoloket – DGM v 2.2

Soms volgt het dekzandreliëf de bovenkant van het keileempakket waardoor het noordoost- zuidwest gerichte ruggen patroon vaagjes in de hoogtekaart zichtbaar blijft, zie figuur 6:

fig 6 ahn dgm doorsnede beilen hoogte en bodem rob
Figuur 6. Hoogtelijnenkaart en doorsnede van het bodemreliëf met geologische bodempaketten in het traject Beilen – Zweeloo. bron: Dinoloket – DGM v 2.2

Terug naar de afwatering. Een deel van de laaglandbeken die voor de natuurlijke afwatering van het Drents Plateau zorgen, volgt dus de geconstateerde noordoost-zuidwest richting (Boorne, Linde, Tjonger, Steenwijkerdiep, Beilerstroom). Andere naar het noorden en zuiden afwaterende systemen (Drentse Aa, Hunze en Drostendiep) volgen vooral de megaflutes van de Hondsrug (uitgezonderd enkele bovenloopjes en de doorbraken door de megaflutings, toevallig of niet, toch weer afwaterend in noordoostelijke richting!).

Op het eerste gezicht lijkt het patroon weinig spannend. Toch zijn er een paar opmerkelijke zaken te bespeuren.

Wim de Gans & Ed Duin hebben de relatie tussen een aantal steenzout pilaren en reliëfvormen op het Drents Plateau onderzocht, daaruit kwamen een paar interessante conclusies (De Gans & Duin, 2010).

Steenzout

Zoals in de reeks Het verhaal van Nederland in deze blog is geschreven ontstond tijdens het Perm een dikke zoutlaag. De zoutlaag vinden we nu als Zechstein steenzout in de noordelijke helft van de Nederlandse bodem. De laag heeft een dikte van 50 tot 1000 meter, de bovenkant ligt op een diepte van ongeveer ca. 2500 meter. Op een aantal plekken wijkt de dikte van het zoutpakket sterk af; ze kan dan wel een dikte van 4 kilometer bereiken. Onder hoge druk en temperatuur kan steenzout gaan vervloeien. Er ontstaan dan zgn. zoutpilaren (ook wel zoutdomes of diapieren genoemd) vaak op plaatsen waar een geologische breuk onder de steenzoutlaag aanwezig is. Bij het ontstaan van zoutpilaren worden bovenliggende bodemlagen als het ware opzij en het zout omhoog gedrukt. De diepte waar steenzout wordt aangetroffen is dan veel minder, bij Zuidwending in Groningen 120 en bij Schoonloo in Drenthe maar 121 meter. Zoutpilaren kunnen een inhoud van tientallen kubieke kilometers hebben. Het vervloeien gaat zeer langzaam. Schattingen van de stijging van het zoutoppervlak van zoutpilaren liggen tussen 0,05 en 0,10 mm/jaar.

fig 7 Zoutpijler Berendsen naar pannekoek & Van Straaten 1982 rob
Figuur 7. Ontstaan van een zoutpilaar in Noord-Duitsland. De ‘cap rock’ of gipshoed bestaat uit gips en andere gesteenten die na oplossing van het zout zijn overgebleven (Berendsen ,2004, naar Pannekoek & Van Straaten, 1982).

De Gans & Duin onderzochten drie zoutpilaren, de domes van Gasteren/Drouwen, Anloo en Schoonloo (figuur 8). Ze onderzochten eventueel optredende terreinverheffingen en construeerden met behulp van beschikbare boorgegevens de ondiepe geologische opbouw om laagdeformaties te kunnen constateren. Daarnaast werd de ligging van zoutpilaren onder het Drents Plateau vergeleken met het ter plaatse voorkomende afwateringspatroon. De toppen van de eerstgenoemde zoutpilaren reiken tot resp. 300, 550 en 121 meter beneden maaiveld.

fig 8 pijlers en dikte zechstein dgm diep rob
Figuur 8. De dikte van het Zechstein steenzout pakket onder het centrale deel van het Drents Plateau met de in de tekst genoemde zoutpijlers. bron: Dinoloket.

Ten aanzien van de maaiveldhoogte van het terrein komt verhoging alleen voor op de plaats waar zich de pilaar van Gasteren/Drouwen bevindt. Het is echter een subtiel verschil van goed twee meter dat bijna geheel in het landschap opgaat. De plaatsen van de domes Gasteren/Drouwen en Anloo liggen grenzend aan het Hunzedal. Juist hier constateren De Gans & Duin dat De Hondsrug enkele honderden meters verder het Hunzedal insteekt. Ze geven aan het verleidelijk te vinden om dit gegeven aan de zoutdomes in de ondergrond toe te schrijven; overtuigend vind ik dit niet.

Betreffend verstoringen in de geologische gelaagdheid is met name naar de hoogteligging van de verschillende bodempakketten gekeken.
Boven de pilaar Anloo is geen verhoging van de bovenkant van het preglaciale pakket gevonden.
Boven de pilaar Gasteren/Drouwen is de verhoging enkele meters; maar het duidelijkst is dit boven de pilaar Schoonloo waar de bovenkant van het preglaciale pakket behoorlijk boven de omgeving uitsteekt. De Gans en Duin verwachten dat hier net als op de rest van het Drents Plateuau keileem en dekzand is afgezet, maar dat deze als gevolg van de relatief abrupt optredende hoogteverschillen door erosie is verdwenen. Hierdoor ligt preglaciaal zand (Formatie van Urk, Formatie van Peize) aan de oppervlakte terwijl de bovenkant van dit pakket in de naaste omgeving 35 meter beneden NAP voorkomt. Afzettingen uit het Elsterien (de ijstijd voor die van het Saalien) ontbreken hier (figuur 9).
Grappig is te bedenken dat het reliëf gerelateerd aan zoutpilaren vóór de ijstijden nog beter waar te nemen zou zijn. Het ijs heeft zeker een nivellerende invloed op de verhoging in het terrein gehad, net als het overrijdingseffect op diverse stuwwallen: de toppen zijn er gewoon afgeschoven!

fig 9 geologische kaart 2010 rob
Figuur 9. Uitsnede Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO, 2010): Midden Drenthe.
Bx Formatie van Boxtel
Dr Formatie van Drenthe
Ni Formatie van Nieuwkoop
Pe Formatie van Peelo
UAP Formaties van Urk, Appelscha en Peize

De Gans & Duin keken verder naar de positie van zoutdomes in relatie met het afwateringspatroon van laaglandbeken. Zij concluderen dat de Gasteren/Drouwen-, Schoonloo dome en de Hooghalen zoutrug samenvallen met de waterscheiding van het naar het noorden afwaterende Drentse Aa systeem enerzijds en het naar het zuiden resp. zuidwesten afwaterende Drostendiep- en Beilerstroomsysteem anderzijds (fig. 10). Een relatie ligt volgens hen voor de hand.
Overigens gaat het verhaal van beïnvloeding van een waterscheiding door zoutlagen in Drente niet altijd op. Op de meeste plekken lijkt de dikte van de laag en de hoogte van de domes/ruggen te gering om van invloed te kunnen zijn.

fig 10 waterscheiding art gans duin rob
Figuur 10. Positie van de Gasteren/Drouwen-, Schoonloo dome en de Hooghalen zoutrug. De drie wat betreft dikte, meest prominente zout”bulten” in de ondergrond. De lijn is de waterscheiding.
Kaart uit het artikel van De Gans & Duin.

Oud zout als mede initiator van een tegenwoordige waterscheiding, de mooie wereld van geologie!

Literatuur

Actueel Hoogtebestand Nederland, http://www.ahn.nl
Dinoloket, http://www.dinoloket.nl
Gans, W. de & E. Duin, 2010, Steenzout, oppervlaktevormen en landijs, Grondboor en Hamer 4/5
Rappol, M., 1984, Till in Southeast Drente and the origin of the Hondrug complex, Netherlands, Eiszeitalter und Gegenwart 34
TNO, 2010, Geologische overzichtskaart van Nederland, http://www.grondwatertools.nl/geologische-overzichtskaart

Advertenties