In het Gelders Archief vind ik nog een kaart 0124-5447 van de Voorsterbeek en Beekbergsebeek. Deze is uit 1662 dus twee jaar jonger dan deze:

5447-1663-4-0002 kaart 16

De maker is niet bekend, de kaart is niet op schaal getekend, er staat geen windroos bij: geen hoogtepunt van cartografie dus. Ik ben benieuwd wat het verschil is tussen de twee kaarten en of mijn nieuwe theorie standhoudt.

Ik kan gelukkig bijna alle teksten lezen. Met de klok mee, steeds linksboven beginnend:

  • plaatsaanduidingen: Loenen, Becbergen, Voorst, Nijenbeeck, Empe. Dat betekent dat het noorden ongeveer rechts is net als op de andere kaart.
  • beken: Loenensche beeck, Begbergsebeeck, questiculsche strangsken, in het midden staat Voorst Empe.
  • Waar het questiculsche strangsken uit de Loenensche Beeck aftakt staat: olde toegemaeckte mont van ’t questiculse strangske en nieuwe mont. Het woord mond doet andersom vermoeden, maar ik denk dat het strangetje een aftakking was van de Loenensebeek en niet andersom.
  • Links van het questiculsche strangsken staan boompjes getekend met daarbij Die Weijenbergen en een tekst die lijkt op geirrigeerdt mulen sandt, maar voor een betere transcriptie houd ik me aanbevolen. De boerderij De Weijenberg is er nog en ligt tegen een langgerekte zandrug aan, mul zand dus. Die heb ik op de volgende topokaart ingetekend. Maar of het daar geirrigeerd was?
  • Tenslotte de grote watermolen met twee onderslagraderen met daarbij de tekst Nijenbeeckermuelen.
  • Linksonderin ligt een dijk langs de Olde IJssel. Dat is bij Empe.

Ik vergelijk deze kaart met de topokaart waarop ik de kaart uit 1660 had ingetekend:

kaart 20 2
bron: topotijdreis, bewerking: Mathilde

Waarin verschilt deze kaart uit 1662 met die andere uit 1660?  Ook nu gaat het over de Loenensebeek die uitmondt in de Voorsterbeek maar wordt omgeleid naar het questiculse strangsken. Op de kaart uit 1660 wordt dit strangsken de Emperbeek genoemd, ik heb hem bij D laten aftakken van de Silvoldsebeek. Maar op de kaart uit 1662 is de Silvoldsebeek inmiddels opgedroogd, loopt de Loenensebeek naar dit strangsken en loopt het bovendien ten noorden van de Weijenberg: dat duidt erop dat de aftakking noordelijker ligt, meer richting punt F. Het kan natuurlijk best dat de kaart uit 1660 een plan was, en deze uit 1662 de uitvoering.

ahn voorst
bron: AHN, bewerking: Mathilde

Ik zoom in op het deel op het AHN bij F en teken de beken in. De Emperbeek laat ik wat noordelijker aftakken. De Silvoldsebeek was blijkbaar niet meer watervoerend.

Capture
bron: AHN, bewerking: Mathilde

Die was inmiddels blijkbaar verloren vanwege de omleiding naar de molens in Loenen. Dat betekent dat het water van de Emperbeek, het questicuulse strangsken, uit de Loenense molenbeek werd gehaald, en die moest daarvoor een behoorlijke scherpe bocht maken. Vandaar de afsnijding. In het veld valt die afsnijding goed op, want op die plek buigt de beek van de weg af: de weg loopt door naar de brug bij Clabanus, punt A op de topokaart.

Maar waarom al deze moeite doen? In de Gelderse bekenatlas staat geen molen in de Emperbeek. Blijkbaar is het plan niet doorgegaan. En toch hebben ze de Emperbeek extra gevoed met water. Eerst graven en dan pas een molen bouwen lijkt me ook niet logisch, nee er moet een andere reden zijn.

Ik kan maar een reden bedenken: irrigatie. De tekst bij de Weijenberg luidt immers geïrrigeerd mul zand. Dat ga ik eens uitzoeken in een ander verhaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties