De Gelderse Vallei bestond vroeger uit twee afwateringssystemen. Het noordelijke deel waterde af op de Zuiderzee, het zuidelijke deel op de Rijn. De waterscheiding lag even ten noorden van Veenendaal. Waar die lag is niet meer te zien: de Veenendalers hebben in de 17e eeuw hun veen weggegraven en de waterstand verlaagd. Het verlagen van de waterstand heeft daarbij een minstens zo desastreus effect als het weggraven van het veen: door het verlagen van de waterstand oxideert het veen, het verteert en verdwijnt gewoon de lucht in. Bovendien klinkt de zompige grond in als het water eruit verdwijnt. Door de drie processen samen is het maaiveld bij Veenendaal misschien wel meer dan 5 meter gedaald. Daarbij is ook de waterscheiding doorbroken door weteringen door de waterscheiding heen te leggen en tenslotte verdwenen.

Het zuidelijke deel van de Gelderse Vallei wordt het Binnenveld genoemd. Het lijkt logisch om daarmee het gebied af te bakenen dat oorspronkelijk naar het zuiden afwaterde. Ik wil achterhalen hoe dat gebied er waterkundig uitzag voor dat de vervening begon.

Het Binnenveld bestaat waterkundig uit twee deelgebieden: ten eerste de zandgronden in het oosten: de akkers, weilanden en hooilanden van Wageningen, Bennekom, Maanen, Ede, Veldhuizen en Doesburg. Ten tweede de veengebieden van de Gelderse en Stichtse Venen rond Veenendaal en Emminkhuizen.

Nu is dit allemaal al in de tijd van voor de oudste kaarten verknutseld, dus veel aanwijzingen heb ik niet hoe het er van nature heeft gezien. Maar ik leg in beide deelgebieden een beek en geef, zonder de loop van de beken te kennen, ze beide een naam. De westelijke die ontspringt in de venen noem ik de Grebbe, rond 1473 vergraven tot Bisschop Davidsgrift of Grift. De oostelijke die op de hogere zandgronden ontspringt noem ik de Kromme Eem, later vergraven tot Gelderse Waterlossing of De Wetering.

Op de volgende kaart tekent Sgrooten in 1557 deze twee beken in. Links tekent hij een veengebied vol rechthoekige percelen en de Grift naar de Rijn. Rechts tekent hij De Kromme Eem die begint bij Meulunteren, ver ten noorden van Lunteren, en die vlak voor de Rijn samenstroomt met de Grift. Meulunteren lijkt mij te noordelijk, ik vermoed dat de beek ten zuiden van Lunteren ontsprong. Ten zuidwesten van Lunteren ligt immers een zandrug en dat lijkt een logische waterscheiding. In de tijd van sGrooten was De Kromme Eem al vergraven tot De Wetering, maar dat zie ik op zijn kaart niet terug.

sgrooten kaart 15
Sgrooten. bron: ?

Vandaag het verhaal van het oostelijke deel en de Kromme Eem – De Wetering: Dat gebied waterde af op de Rijn, oorspronkelijk waarschijnlijk via een beek die misschien wel loosde op het middengebied en zo een van de veroorzakers van de veengroei is, of via een beek die juist veenwater verzamelde zoals Sgrooten lijkt te suggereren. In elk geval, bij verdere ontginning van het land werd (voor 1460) een wetering gegraven, de Gelderse Waterlossing of De Wetering. Die loosde op de Kromme Eem, mondde uit op de Grift, en die mondde uit op de Rijn bij De Grebbe.

Bij de Grebbe lag al in de 15de eeuw een sluis. Dat is niet voor niets natuurlijk. Blijkbaar stond de Rijn soms zo hoog dat het Rijnwater de Grift instroomde in plaats van andersom. Als er gevaar dreigde dat het achterland verzoop, zette men de sluis dicht. Maar: als de sluis dichtstond, konden De Wetering + de Kromme Eem + de Grift dus niet lozen. Terwijl het water natuurlijk wel gewoon aan kwam stromen. Dus dan verzoop het achterland boven de Grebbesluis nog steeds.

Om dat te voorkomen, werden dwarsdijken gelegd met schutten (planken) in de wetering. De meest zuidelijke was de Maanensedijk met het Maanenseschut. Ten noorden daarvan lag de dijk van de Buurtsteeg met daarin het Veldhuizerschut. En tenslotte, nog verder naar het noorden, de Doesburgerdijk met het Doesburgerschut. De dijken lagen op de grens tussen de buurschappen zodat ieder buurschap alleen last had van zijn eigen water als de schutten dicht stonden. Op de volgende kaart van Van Geelkercken uit 1655 zie je deze wetering prachtig lopen (net onder het midden, van rechts naar links en dwars daarop een aantal dijken).

kaart 16 Binnenveld
Van Geelkercken 1655 bron: Gelders Archief

Op 23 juni 1460 stelde Arnold van Gelre een dijkbrief op over het openen en sluiten van de schutten in deze Wetering. Die regeling bleef tot ver in de 20ste eeuw geldig. Besloten werd dat als de Grebbesluis open ging, het Maanderschut pas 24 uur later open mocht. Zo hadden de lage landen van Wageningen en Bennekom tijd om leeg te lopen. Na 24 uur ging het Maanderschut dus open en kon Maanen lozen. Weer een dag later volgde het Velthuizerschut en tenslotte het Doesburgerschut. Het sluiten van de schutten ging in omgekeerde volgorde zodat de laagste gronden van Wageningen en Bennekom geen last hadden van water van de hogere gronden.

Een mooi voorbeeld van gepolder in Nederland!

Terug naar deel 1: Het Binnenveld: ontstaan van de Valleipoort

 

 

Advertenties