Wandelend over de stuwwallen van Nederland kom je nogal eens door brede glooiende dalen zonder beek. Of er stroomt onderin een klein beekje, maar dat is zo klein dat je je niet kunt voorstellen dat dat dat grote dal heeft uitgesleten. Maar, denk je dan, dat zal toch wel, want er waren immers ijstijden, en toen was dit beekje misschien een kolkende watermassa, en toen is dit dal ontstaan.

Niet dus.

Zo’n breed, glooiend dal zonder of hoogstens met een klein beekje onderin is anders ontstaan, zonder water eigenlijk.

Eerst maar eens een beekdal. Waar water uittreedt op een helling, ontstaat een natte plek, een bron. Een beek begint altijd bij een bron. In principe loopt een bron altijd door, zomers en winters: de bron is namelijk een plek waar grondwater uittreedt, en in principe is daar altijd grondwater. In een bijzonder droge zomer kan het grondwater zo laag komen dat de bron droogvalt, en dan is de beek dus ook droog. Dat was afgelopen zomer in het oosten van het land met veel beken het geval. Maar afgezien van zo’n uitzonderlijke droge periode, stroomt in een beek altijd water. Beken worden verder gevoed met regenwater, water dat na een regenbui van de diverse hellingen afstroomt (over de grond of door de bovengrond) en door zijbeken die ook bij een bron beginnen. In de winter stroomt er meer water door dan in de zomer, maar het gaat altijd door.

Een droogdal is anders ontstaan. Een droogdal is ontstaan in de laatste ijstijd toen hier in de lange koude winters de grond bevroren was en bedekt met sneeuw. In het voorjaar smolt de sneeuw en ook de bovenste centimeter van de grond, en terwijl de smeltende sneeuw naar beneden zakte, nam die het bovenste ontdooide natte grondlaagje mee dat weggleed over de bevroren ondergrond. Vervolgens smolt de volgende centimeter grond, en gleed die ook naar beneden. En dat 70.000 jaar lang.

Veel droogdalen zijn scheef in doorsnede. Dat komt omdat de ene helling langer in de zon lag dan de andere, of meer in de warme middagzon lag dan de andere. Waar de zon langer en warmer scheen, droogde de grond uit en gleed die niet naar beneden. De helling bleef steil. De helling in de schaduw of in de koele ochtendzon is vlakker, want die bleef modderig en blubberig en bleef glijden.

topo 21 Renkum
bron Topotijdreis

Als voorbeeld de Seelbeek bij Heveadorp: de oosthelling is steil, de westhelling is vlak. Op deze westhelling stond vroeger de rubberfabriek en ligt nu Heveadorp. In het dal stroomt de Seelbeek: blijkbaar heeft de smeltende sneeuw gebruik gemaakt van een bestaand dalletje om naartoe te glijden.

foto Rheden Herikhuizerveld
foto: Mathilde, 2019

Tenslotte deze foto, genomen aan het eind van een ijskoude februarimorgen op de heide bij de Posbank. De rechter helling ligt in de zon en de grond is lekker warm en droog. De linkerhelling ligt in de schaduw en is nat en koud. Tussen de heide aan de linkerkant ligt zelfs nog ijs en sneeuw. Dat deze helling toch niet afglijdt, komt omdat de ondergrond niet bevroren is: smeltwater zakt de grond in.