Over de Veluwe verspreid liggen langgerekte duinen. Ze worden streepduinen, kamduinen of paraboolduinen genoemd. Dat zijn wel drie verschillende dingen, dus wat hebben we hier? Vroeger werden ze pseudo-eskers genoemd: ze lijken op eskers, maar zijn anders ontstaan. Dat vind ik echt knudde. Sommige zien er nog het meest uit als dijken, maar dan van puur zand.

Ik krijg een boekje opgestuurd van Stichting Telluris uit Dordrecht (dank jullie wel!) over de Oost-Veluwe, en dan met name het gebied rond Apeldoorn. Het bespreekt allerlei geomorfologische verschijnselen, waaronder de duinen bij Hoog-Soeren.

Hier een uitsnede van het AHN van het gebied rond Hoog-Soeren (middenrechts) met de lange streepduinen in geel. Als onderlegger heb ik een luchtfoto gebruikt. Zo valt op dat het gebied dat de streepduinen omsluit, zanderig is: heide en stuifzand. Ten oosten van de duinen zie je de stuwwal met de bossen erop (en de enclave van Hoog-Soeren).

Als ik naar deze luchtfoto kijk waarop het reliëf van de duinen is geprojecteerd, zie ik het stuifzand voor me. De wind blaast uit het ZuidWesten, zand stuift op, en waar de wind afneemt (door bos, andere hellingshoek) blijft het liggen. De kam schuift langzaam op naar het NoordOosten, de poten blijven achter; de parabool rekt steeds verder uit. Dus de driedelige naam klopt: het geheel is een paraboolduin, de poten vormen lange strepen, de hoge kam gaat voorop. Ik vind het een angstaanjagend gezicht.

In de gebieden die door de parabolen, strepen en kammen worden ingesloten zie je ook andere duinen: bultjes, al of niet in groepen. Daarbuiten zie je die niet: zie je een bultje buiten het stuifzandgebied, dan is het dus geen duin.

Ik zelf richt me meer op het zuidelijke deel van de Veluwe, en ook daar waren zandverstuivingen en zijn dus duinen. Hier een kaart van het gebied rond Nieuw-Reemst, Mossel en Ginkel.

Het eerste wat me opvalt is dat deze tweede kaart fijnmaziger is. Ik heb de schaal hetzelfde gehouden (links onderin staat de maatstok, die is 600 meter lang). Dit is geen angstaanjagende oprukkende hel, meer schattig speelzand. Met groen heb ik de westelijke kant van de verstuivingen ingetekend waar de wind vandaan kwam: de rand van de uitgestoven laagten. Op de eerste kaart vallen die buiten de uitsnede. Doordat deze verstuivingen zo klein zijn, zie je de eivorm goed. Ook hier liggen groepen duinen binnen zo’n stuifei en daarbuiten niet.

Wat ook opvalt, is dat de parabolen opvallend vaak op de flanken van een droogdal liggen. Alsof het droogdal een tochtgat was, waar de wind harder blies dan elders. Dat klinkt logisch, en ook in het boekje van Telluris wordt dit verband gelegd. Hier heb ik daar ook over geschreven. In andere literatuur heb ik hier nog nooit over gelezen.

Tenslotte: hoe oud zijn deze streepduinen en kamduinen? Jong, uit de Middeleeuwen of zo. Het verhaal in het kort: in de voorlaatste ijstijd, 120.000 jaar geleden, ontstaan de stuwwallen. In de laatste ijstijd, 15.000 jaar geleden, ontstaan de droogdalen. In de Middeleeuwen, 1000 jaar geleden, ontstaan de stuifzanden en duinen.

Visscher van Stichting Telluris ziet ook een rol voor smeltwater bij de vorming van de duinen. Dat kan best bij sommige het geval zijn: toch een soort eskers dus. Sommige duinen liggen voor mijn gevoel de verkeerde kant op, zoals bij Ginkel. Ook ik zie daar een rol voor modderstromen of smeltwater die troep meeneemt en aan de rand van de stroom neerlegt. Maar dat is een ander verhaal.