Regelmatig valt me op dat vroeger veel meer van veldnamen gebruik gemaakt werd dan nu. Vorige week blogde ik over droogdalen rond Renkum en Schaarsbergen waarvan vele in de 17de eeuw met een eigen naam. Nu kennen we daarvan alleen nog het Papendal, maar dan als sportcentrum. Het is genoemd naar een droogdal, sporters, dat je het even weet.

Hier een AHNuitsnede van Doorwerth. Onderaan zie je het kasteel in de uiterwaarden. De kaart komt uit ons boek ‘Wandelen in het Doorwerth van 1847’.

De bergen (als de zeespiegel 10 meter stijgt steken ze als kapen de zee in) en de dalen ertussen hebben dus een naam. Waarom toen wel en nu niet? Tja, wij wandelen hoogstens lekker op en neer door dit prachtige bos en zien het als een eenheid. Maar vroeger hadden die namen waarschijnlijk een functie; anders geef je geen naam toch? Dus om een of andere reden was het nuttig om de Sneppenvlucht van de Hoppenhof te onderscheiden.

Van west naar oost:

kapen: Heetberg, Boersberg, Sneppenvlucht, Hoppenhof, Rolandseck (die naam gebruiken we nog), Tafelberg, Reigersberg, Hertenberg, Godesberg, Helleberg, Charlotteberg;

dalen: Lutsendal, Cascadedal (het opgeknapte dal met watervallen en de helkolk onderaan) en rechts net buiten beeld het Wientjesdal (daar loopt het wandelpad doorheen naar boven naar de nepbrug); andere dalen heten naar de (voormalige) weg erdoorheen: Doorwerthsestraat, Kabeljauwweg (als je dat wandelpad volgt kom je uiteindelijk uit bij de boerderij Kabeljauw), Holleweg, Stationspad (zie ons boek), Italiaanseweg;

veld: het grote veld tussen de Kabeljauwweg en de Holleweg heette vroeger de Voorstenenck.

In rood heb ik de (voormalige) gebouwen aangegeven. Van west naar oost: tolhuis, uitzichttoren, herberg de Zalmen, ijskelder van het kasteel, Hondenhuis, Capel (bovenop bij de kortgeleden omgevallen linde die niet voor niets de Capelleboom heette, Jagershuis. De Oude Oosterbeekseweg, nu een heerlijk fietspad, was vroeger de hoofdweg van Heelsum naar Oosterbeek.

De beek die langs de Fonteinallee loopt en begint bij de Helkolk, en die overigens een tweede bron heeft onder het Wientjesdal, noemen we de Beek langs de Fonteinallee. Dat is dan weer een nieuwe naam want die beek is op alle kaarten naamloos.

Op de Reigersberg en de Tafelberg stonden vroeger bankjes bij schattige beukjes. Daar kon je van het uitzicht over de Rijn en de uiterwaarden genieten; Van der Dussen beschrijft het mooie uitzicht in 1847. De bankjes zijn weg, het uitzicht is weg, de beuken staan er nog. De beuken op de Reigersberg sieren de kaft van ons boek: de beukjes zijn oud, gigantisch groot en zijn aan het aftakelen. Wat niet extreem vroeg is voor beuken van zo’n 160 jaar oud overigens.

Boekomslag