Wandelend over de stuwwallen van Nederland kom je nogal eens door brede glooiende dalen zonder beek. Of er stroomt onderin een klein beekje, maar dat is zo klein dat je je niet kunt voorstellen dat dat dat grote dal heeft uitgesleten. Maar, dacht ik vroeger, dat zal toch wel, want er waren immers ijstijden, toen was dit beekje misschien een kolkende watermassa, en toen is dit dal ontstaan.

Niet dus.

Zo’n breed, glooiend dal zonder of hoogstens met een klein beekje onderin is ontstaan in de laatste ijstijd toen hier in de lange koude winters de grond bevroren was en bedekt met sneeuw. In het voorjaar smolt de sneeuw en ook de bovenste centimeter van de grond, en terwijl de smeltende sneeuw naar beneden zakte, nam die het bovenste ontdooide natte grondlaagje mee dat weggleed over de bevroren ondergrond. Vervolgens smolt de volgende centimeter grond, en gleed die ook naar beneden. En dat 70.000 jaar lang.

Zo’n dal noemen we een droogdal. Dat is een onhandige term merk ik op onze fiets- en wandeltochten. Zo ligt er onderin best wel eens een beekje. Ik zou gelifluctiedal een fijne term vinden. Niet dat gelifluctie zo lekker bekt, maar het geeft wel precies aan hoe het dal ontstaan is.

NB: ik heb het nu niet over verdroogde beekdalen. Het gaat me nu om brede glooiende dalen zonder beek onderin, of met hoogstens een klein beekje in een veel te groot dal.

Veel droogdalen zijn scheef in doorsnede. Dat komt omdat de ene helling langer in de zon lag dan de andere, of meer in de warme middagzon lag dan de andere. Waar de zon langer en warmer scheen, droogde de grond uit en gleed die niet naar beneden. De helling bleef steil. De helling in de schaduw of in de koele ochtendzon is vlakker, want die bleef modderig en blubberig en bleef glijden.

Lezers: sommigen zullen wel gemerkt hebben dat ik met een grote update van dit blog bezig ben. Ik ben alle 315 stukken aan het lezen, bijwerken, weggooien, splitsen, samenvoegen, schrappen. Ik heb mezelf hiervoor de hele maand november gegeven. Dus een trouwe lezer zal deze maand regelmatig stukken tegenkomen die je in een andere versie al eerder hebt gezien. Zoals dit stuk. Het kan zijn dat sommige reacties niet meer passend zijn; die verwijder ik een voor een.

Als voorbeeld de Seelbeek bij Heveadorp: de oosthelling is steil, de westhelling is vlak. Hierop stond vroeger de rubberfabriek en ligt nu Heveadorp. In het dal stroomt de Seelbeek: blijkbaar heeft de smeltende sneeuw gebruik gemaakt van een bestaand dalletje om naartoe te glijden en heeft daar een gigantisch dal van gemaakt. Nu is de ijstijd voorbij, de sneeuw weg, de permafrost verdwenen, en stroomt de Seelbeek weer in dit dal.

topo 21 Renkum
bron Topotijdreis

De volgende foto is genomen aan het eind van een ijskoude februarimorgen op de heide bij het Herikhuizerveld (Posbank). Ik vind het nou eindelijk eens een foto waarop je ziet wat je moet zien; als je erop klikt wordt hij groot en zie je het ook. De rechter helling ligt in de zon en de grond is lekker warm en droog. De linkerhelling ligt in de schaduw en is nat en koud. Tussen de heide aan de linkerkant ligt zelfs nog ijs en sneeuw. Dat deze helling toch niet afglijdt, komt omdat de ondergrond niet bevroren is: smeltwater zakt de grond in.

foto Rheden Herikhuizerveld
Herikhuizerveld

Noord-Nederland ligt vol gelifluctiedalen. Om eens een keer iets anders te tonen dan de Veluwe hier een kaart van de Steenwijker Heuvelrug en omgeving: