Tussen afrit 27 en 28 in Salland heeft de A1 een uitstulping. Deze is gemaakt om een jeneverbesbos te sparen. Deze uitstulping staat bekend als de Bocht van Barkman, de initiatiefnemer.

Rijkswaterstaat had de weg hier bochtloos over het kortste tracé door dit natuurgebied gepland. Jan Barkman begon een eenmansactie en had succes. Hoe kreeg hij dit voor elkaar?
Niet door asbest op een weg te gooien en ook niet door zich vast te ketenen.
We schrijven 1971. Jan Barkman was hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Hij had zo zijn connecties en schakelde die in. Hij schreef een brief, die stencilde hij en de doorslagen stuurde hij aan Professor H.C.D. de Wit, hoogleraar in Wageningen. De Wit stond blijkbaar in nog hoger aanzien als hijzelf, en moest de doorslagen opsturen aan P. Nijhoff, voorzitter van de Contactcommissie voor Natuur- en Landschapsbescherming. Dat is gebeurd, en toen is het balletje gaan rollen. Met succes.
Het bos ligt op bovenstaande kaart rechts van het Elsenerveen (het water) tegen de A1 aan, in 1971 nog E8 geheten. Ik ken het onder de naam de Borkeld, het is nu van Natuurmonumenten.
Ben je in de buurt, moet je echt gaan kijken. Ik ken nog een prachtig jeneverbessenbos bij Otterlo, maar dit is woester en dichter. Dit is een jeneverbessenoerwoud, en zoals meestal, de foto’s die ik nodig heb (van het ondoordringbare deel) zijn mislukt. Dus je moet zelf gaan kijken, maar dat is helemaal niet erg.


De linkerfoto maakte ik op de grond onder de stammen en takken door en had heel mooi moeten worden… De rechterfoto laat de rand van het oerwoud zien. Jeneverbessen worden niet hoger dan 6 meter, lees ik, nou dat zijn ze hier wel.
Nou ben ik fan van jeneverbessen: de struiken hebben iets magisch en dat vinden velen met mij. Hij komt in nogal wat volksverhalen voor en de boom heeft een eigen fanclub: het jeneverbesgilde. Maar wereldwijd is het geen bijzondere boom, en ook in Nederland is hij niet zeldzaam. Waarom is Rijkswaterstaat, in 1971 geen bolwerk van natuurbeschermers, om gegaan?
Barkman stelt in zijn brief dat het jeneverbessenstruweel bijzonder is. In Nederland komen zeven verschillende typen jeneverbesstruwelen voor, waarvan twee in Markelo. Het ene is gebonden aan arme zandgrond en komt ook voor in het Buurserzand, Lutterzand, Ootmarsum en ik vermoed dat het bos bij Otterlo ook van dat type is: althans, ook daar ligt arme zandgrond. Het tweede type is gebonden aan lemig zand, dat is zeer zeldzaam en komt verder niet in Nederland, België of Duitsland voor en is, schrijft Barkman, alleen te vergelijken met een bos in Zuid-Zweden en Jutland. Dat laatste blijkt niet helemaal waar te zijn, want ik lees in een artikel van Schaminee (2013) dat dit type ook voorkomt bij de Stekkenkamp in Ommen over meerdere hectaren zelfs. Schaminee baseert zich op de plantengemeenschappen.
Maar waar of niet: het was wel een argument waar Rijkswaterstaat gevoelig voor was, want de weg is om het bos gelegd.
Tja, nou kennen jullie me: waar ligt welk type jeneverbesstruweel? Ik duik dieper.
In de veldgids Plantengemeenschappen van Schaminee komen we de twee typen tegen.
r44Aa1 is het Gaffeltandmos-Jeneverbesstruweel. Ik lees over de successie hiervan: Het gaat om droge heide. Als die heide niet meer beheerd wordt, kan jeneverbes met korstmossen ontstaan. Dit gaat als er meer humus in de bodem is gekomen, over op jeneverbes met bochtige smele (een gras). Als andere bomen niet worden uitgetrokken, gaat het over op eiken-berkenbos.
r40Ab2 is de Associatie van Hondsroos en Jeneverbes, dat is het type op de lemige zandgrond. Die leem moet ergens vandaan komen, en dat is niet op droge heide, maar langs beken en rivieren. In Nederland komt dit uitsluitend langs de Vecht voor. Maar laten we Barkman steunen en dit stukje bij de Borkeld niet vergeten. Ik neem aan dat we in de buurt van het Elsenerveen moeten zoeken want andere leemplekken zijn hier niet, vermoed ik.
Wat ik merkwaardig vind is dat jeneverbessen zowel zuilvormig als breed uitwaaierend kan groeien. En dat het dan toch dezelfde soort is.
De verspreiding van het Gaffeltandmos-Jeneverbesstruweel in Nederland:

Daarvan ligt maar een plek buiten mijn bloggebied!

In de tweede helft van de vorige eeuw zag men nergens jonge kiemplanten van de jeneverbes, maar die periode is voorbij. Nou is de jeneverbes ook wel veeleisend met zijn voortplanting. Er zijn mannelijke en vrouwelijke struiken. Deze vormen beide bloemen. De mannen gaan vervolgens roken: ze vormen dan wolken van stuifmeel en dit moet door de wind verspreid worden naar een vrouw. De vrouwelijke bloem wordt hiermee bestoven, een jaar later vindt de bevruchting pas plaats, vervolgens neemt de groei van de groene kegelbes ook nog een jaar, en pas in het derde jaar kleuren deze blauw en worden ze rijp. Deze rijpe bessen worden gegeten door vogels. De bes moet door zo’n vogel worden uitgepoept op een typisch jeneverbesplekje: een kaal stukje halfdroge zandgrond in de zon. Dat moet die vogel dan zeker al vliegend doen, want als hij op een tak van een boom zit, voldoet het plekje al niet meer. Het is ongelooflijk dat de jeneverbes toch zo’n groot verspreidingsgebied heeft.

leeg