Van de voorlaatste ijstijd het Saalien is in Nederland nog van alles van te zien: de glaciale landvormen. Kijk met me mee.
De drie ijsranden door Nederland
In het Saalien is het ijs schoksgewijs gegroeid en drie keer lang op een bepaalde plek blijven liggen. Door Nederland liggen daardoor drie ijsranden die deze periode van stabiliteit markeren:
- de noordelijke ijsrand
- de middelste ijsrand = Gaasterland ijsrand
- de zuidelijke ijsrand = HUND-lijn.

Meer hierover in Het Verhaal van Nederland.
De glaciale reeks
Bij een ijsrand kunnen we glaciale landvormen verwachten die met elkaar samenhangen: de glaciale reeks, zie tekening. Bij de zuidelijke rij stuwwallen is de reeks goed te zien doordat hij niet door een jonger ijsveld is platgewalst en versmeerd zoals bij de andere twee ijsranden. Met name bij de Utrechtse Heuvelrug ligt alles netjes volgens het leerboekje. De tekening zou een doorsnede kunnen zijn tussen Veenendaal (rechts) en s’Hertogenbosch (links). In overzicht van rechts naar links: ijstong – stuwwallen – sandr – oerstroomdal – oude land.

Bij elk van de vier elementen in deze reeks horen bepaalde landvormen. Die landvormen kunnen niet op een andere plek in de reeks voorkomen. Een stuwwal in de Betuwe, dat kan dus niet. Keileem op sandr, dat kan ook niet. Op deze wandeling van 10 km van Veenendaal naar Elst volgen we de hele glaciale reeks en bekijken we alles in detail.
De vormen van het ijs zelf
Het ijs is natuurlijk weg, maar toch wil ik beginnen met de vormen van het ijs zelf. Dit maakt het gesprek gemakkelijker: dan hanteren we dezelfde taal.
- ijskap: ligt stil en bedekt alles.
- ijslob: een bubbel aan een ijskap. Ik lees in een boek dat je moet denken aan een uitzakkende pudding.
- ijstong: hoort bij een groeiende ijskap. Een ijskap of ijslob kan snel aangroeien in tongen die dan uiteindelijk aan elkaar kunnen groeien tot een ijslob of ijskap.
- gletsjer: hoort bij een smeltende ijskap. IJs vervloeit, zakt naar beneden een dal in en smelt.
Landvormen die zijn ontstaan in en onder het ijs
Het reliëf
Als het Weichselien er niet was geweest, als we in het Eemien hadden geleefd, dan hadden we niet van Nederland = vlak land gesproken. Op de volgende doorsnede van west naar oost kunnen we dat zien (links het IJsseldal, rechts de Paasberg bij Oldenzaal).

Alles bovenop het oranje Drente moeten we wegdenken. Het IJsseldal (donkerrood) komt tot 80 m -NAP, de Veluwe tot 110 m +NAP. Dat is een hoogteverschil van 200 meter. Zie je dat ook onder West Nederland stuwwallen liggen?
Glaciaal bekken
Een zware stilliggende ijslob zakt in de grond en perst zo een glaciaal bekken uit, waaromheen stuwwallen ontstaan doordat de ondergrond toch ergens heen moet. Onder in dit glaciale bekken ligt ook keileem.

Daarvan hebben we er vijf in Nederland die horen bij de zuidelijke ijsrand, en een zesde bij Steenwijk die hoort bij de middelste ijsrand.

Tunnels
Onder een gletsjer stroomt water in tunnels, zie de figuur hier boven: onder Twente en de Achterhoek liggen twee tunnels. We zien dat deze twee tunnels elkaar bij Haaksbergen kruisen. Vraag me niet hoe dat kan: ooit van twee kruisende rivieren gehoord?
Esker
Als zo’n tunnel volraakt met stenen en zand, blijft dit als een worst liggen nadat het ijs is gesmolten: dat noemen we een esker en daarvan hebben we er eentje in Nederland.

Keileem
Keileem is het spul dat op de grond achterblijft nadat een ijsveld is weggesmolten. Het is een mengsel van leem, zand, grind en stenen, keien tot duizenden kilo’s zwaar. En de overige troep die het ijs heeft meegesleurd: bomen, dode dieren. Geologen noemen dit de Laag van Gieten. Op DINOloket DGM, die ik meestal gebruik, wordt keileem niet onderscheiden van sandr: het is beide de Formatie van Drente. Maar op DINOloket REGIS wel.
Er ligt dus geen keileem op een stuwwal. Als dat er wel ligt, is het ijs over de stuwwal heen gegaan. Op een stuwwal liggen geen grote zwerfkeien (behalve bij Terlet, dus daar moet ijs gelegen hebben, maar er ligt geen keileem – en zo puzzelen we verder want er klopt even vaak iets niet als wel. Voordat je in de pen kruipt: ja ik weet het, zwerfkeien vinden we op veel meer plekken op de Veluwe – er moet ijs bovenop gelegen hebben, en dat heeft dan geen keileem afgezet maar wel duizenden kilo’s zware keien meegenomen – hoe praten we dit aan elkaar? )
Keien
De meeste dorpen in Oost Nederland hebben wel een grote kei. Ik kom uit Lonneker, en ook daar ligt een kei. Naast die kei is Galerie Urinoir Bezet. De kei met de naam Lonneker kei ligt overigens in Enschede voor het Rijksmuseum (27.000 kilo).

Ik google op zwerfkeien en kom op de site van een bedrijf dat handelt in zwerfkeien. Citaat:
Zwerfkeien zijn onderhoudsvriendelijk, slijtvast en hebben een lange levensduur.
Ik vind dat wel humor. Die dingen blijven wel een miljard jaar goed in je tuin zonder dat je er veel aan hoeft te doen.
Megaflutes
In Drenthe is het keileem vervormd tot een grote golfplaat: de megaflutes van de Hondsrug. Een wereldfenomeen.

Drumlins
De stuwwallen in Gelderland en Utrecht liggen er nog net zo als toen ze ontstonden, behalve dan dat ze een beetje afgesleten zijn. Dat is anders bij de andere twee ijsranden. Die stuwwallen zijn door het uitbreidende ijs overwalst, en daarbij zijn ze uitgesmeerd tot drumlins. Het is helemaal niet zeker dat de heuvels bij deze twee ijsranden wel als stuwwal begonnen zijn: het kan ook eindmorene zijn, dus rotzooi dat door het ijs zelf is meegenomen op de lange weg van Scandinavië hierheen. In elk geval zijn deze drumlins nu keileembulten.

Landvormen rond het ijs
Stuwwallen
Waar ijs in de ondergrond zakt, perst het lagen zand, klei en grind onder het ijs weg, naar voren en opzij. Deze lagen komen, bij verder wegzakken van het ijs, dakpansgewijs over elkaar te liggen. Dat zijn onze stuwwallen.
Afwisseling van ruggen en dalen
Een stuwwal is net een grote golfplaat. Dat komt omdat het scheefgestelde afzettingen zijn van de Rijn en de Maas, en die afzettingen zijn gelaagd: laagje klei, laagje grind, laagje zand, afhankelijk hoe de rivier meanderde. De lagen liggen in de waarden bovenop elkaar, maar in een stuwwal naast elkaar. De ene laag erodeert sneller dan de andere. Klei bijvoorbeeld verdwijnt snel, terwijl grind blijft liggen. Het gevolg is dat op een stuwwal ruggen van grind liggen afgewisseld met dalen van klei. Stel je er niet teveel van voor, het gaat om hoogteverschillen in decimeters.

Scheve lagen, kleischotten en bronnen
Die scheve lagen hebben nog een onverwacht gevolg: de scheefstaande kleilagen zijn vrijwel waterondoorlatend en fungeren als kleischotten tussen watervoerende lagen. Dat betekent dat als het ergens regent op een stuwwal en die regen in de grond zakt, je eigenlijk nooit weet waar dat water weer tevoorschijn komt. Op onverwachte plekken liggen bronnen. Zo sijpelen aan de zuidkant en oostkant van de Veluwe allerlei bronnen uit die beken voeden, maar is er geen enkele bron aan de westkant van de Veluwe op de stuwwallen van Ede en Reemst, en evenmin op de Utrechtse Heuvelrug.
IJsbressen
De stuwwallen zijn niet aaneengesloten; er doorheen liggen bressen of poorten. De meest bijzondere is een bres waar een groeiende ijstong doorheen is gegaan. Hiervan hebben we er twee: bij Rossum in Twente en bij Steenwijk. Uiteraard zijn er meer geweest toen het ijs door de stuwwallen van de middelste ijsrand heen brak en op weg ging naar het zuiden, maar die herkennen we niet meer.
Smeltwaterbressen
Meer voorkomend zijn de smeltwaterpoorten die zijn ontstaan doordat smeltwater door een stuwwal heen knalde. Hiervan ken ik er acht, waarvan zes door de Utrechtse Heuvelrug. De grootste is de Darthuizerpoort, de mooiste vind ik de Ginkelsepoort.

Landvormen door smeltwater
Sandr
Wie in IJsland is geweest, heeft sandr gezien: een kustvlakte tussen de gletsjers en de zee vol ondiepe vlechtende rivieren en aan de voet van de gletsjers meren waarin ijsschotsen drijven. Zo zag het er hier ook uit, alleen waren de bergen wat minder hoog.
Op een sandr stromen vlechtende smeltwaterbeken, dus met brede vlakke dalbodems en sporen van vlechten erin zoals bij de Heelsumsebeek en de Renkumsebeek. Geen meanderende beken: die komen voor in rustige kabbelende milieus, en dat was het hier nou niet echt.
Een sandr bestaat nu uit harde grond met veel grind en grof zand. Sandr is ideaal voor vliegvelden, en ja hoor: vliegveld Terlet, vliegveld Deelen, vliegveld Mook, vliegveld Twente: allemaal sandr. De Renkumsevallei is veel geschikter voor een vliegveld dan de klei-op-veen van Schiphol. Zeg het ze maar niet.
Kame
Kame (spreek uit keem, maar daar heb ik geen zin in). Kame is afzetting in een rustig meertje op of naast een ijsveld. Op de volgende tekening de oranje delen. Omdat het in rustig stilstaand water is afgezet, is de afzetting gelaagd met klei.

Kameheuvels
In holtes op het ijs komt rommel terecht: zand, steentjes. Tijdens het smelten van het ijs zakt dit naar de grond en vormt dan rare onregelmatige heuveltjes: kameheuvels. Daarvan hebben we eentje bij Hoogeveen. Misschien hebben we er meer, maar de literatuur is niet eenduidig, behalve over die ene bij Hoogeveen.
Kameterras
In de goot tussen een smeltende gletsjer en een stuwwal bezinkt ook van alles. Als het ijs gesmolten is, vormt dit een terras tegen de helling van de stuwwal: kameterras. Daarvan hebben we er in elk geval zes. We gaan op zoek naar beschutte dalen tussen stuwwallen, en vinden die bij de Sallandse Heuvelrug en de Stuwal van Delden. En ja hoor, bij beide liggen kameterrassen.

Links zien we de Sallandse Heuvelrug met in roze het kameterras. Rechts de stuwwal van Delden; het kameterras is een leverkleurig vlakje ten westen van Borne; op dit kameterras liggen sportvelden.
Ik zie ook een kanshebber voor kameterras bij Tubbergen, maar de geomorfologische kaart geeft dat niet aan – schreef ik in 2022 bij een concept van dit artikel. Maar op de kaart uit 2023 stond wel degelijk kameterras bij Tubbergen ingekleurd, en zo blijf ik bezig.
Smeltwaterdalen
In de Renkumsevallei liggen lange droge dalen die door velen droogdalen worden genoemd, maar dat zijn het niet. Droogdalen zijn in het Weichselien ontstaan door smeltende sneeuw dat langzaam naar beneden glijdt een helling af en daarbij een beetje zand meeneemt. De lange droge dalen in de Renkumsevallei zijn smeltwaterdalen uit het Saalien.

Doodijskuilen of sollen
Een mooi fenomeen op sandr zijn de doodijskuilen – die komen we in Nederland alleen bij Garderen tegen. Op mijn tekening hierboven bij kame zijn dat de blauwe kuilen – ik kan niet zo goed tekenen.
Het (Engels kettle) is een kuil die is ontstaan doordat in de smeltwaterstroom een groot brok ijs lag dat nog niet was weggesmolten. Terwijl het daar lag, hoopte eromheen zand en grind zich op; het brok ijs nam zijn tijd om weg te smelten. Toen het eindelijk gesmolten was, was de smeltwaterstroom inmiddels ook opgehouden, en lag er op de plek van dat brok ijs een kuil.
Als er water in staat, noemen we het een sol (Duits: Soll). Dus als je op een andere website leest dat het Solsche Gat in het Speulderbos is ontstaan als doodijskuil, dan weet je nu dat dat niet kan: bovenop de stuwwal lag geen doodijs. Nee, het Solsche Gat is een leemkuil. Het gat bij Soll is wel een doodijskuil, en wel een met water erin: een sol dus. Dit verwondert mij ten zeerste: hoe wisten de middeleeuwers nou dat die kuil een sol was? Of hebben de Duitsers de term Soll ontleend aan het Nederlandse gehucht Soll?

Landvormen in het oerstroomdal
In Nederland hebben we drie grote oerstroomdalen: van de Hunze, de Vecht en van de Rijn/Maas. Het zijn de voormalige dalen van de smeltwaterrivieren die aan de voet van de ijstongen en gletsjers langs stroomden en al het smeltwater + de Rijn + de Maas verzamelden. Zie de tekening van de drie ijsranden door Nederland.
Waarden
In het oerstroomdal stroomden wilde woeste vlechtende rivieren. Bij het vlechten ontstonden tijdelijke zich steeds weer verplaatsende eilanden. Toen het ijs smolt en de zeespiegel steeg, begonnen deze rivieren te sedimenteren en ontstonden in de vlaktes de grote stabiele waarden zoals de Krimpenerwaard en Bommelerwaard: dat noemen we een anastomoserende of waardvormende rivier. Sporen van vlechten zien we in het Land van Maas en Waal.
Waardvormend = anastomoserend. Ik vind het woord anastomoseren zo lelijk dat ik een nieuwe term introduceer: waardvormende rivieren. Deze rivieren vormen grote stabiele eilanden tussen de diverse riverstromen, die Nederlanders vanouds waarden noemen. Voorbeelden: Bommelerwaard, Lopikerwaard, Hoeksewaard, Tielsewaard, en er zijn er nog veel meer. Dit zijn geen buitendijkse uiterwaarden, maar eilanden tussen diverse stromen van onze grote waardvormende rivieren.
Overzicht per provincie
Wat zien we van het Saalien en Weichselien per provincie? Wat en waar?
- Groningen
- Friesland
- Flevoland
- Drenthe (komt)
- Overijssel (komt)
- Gelderland (komt)
- Utrecht + Gooi (komt)
Het Verhaal van Nederland
Dit is een deel in Het Verhaal van Nederland waarin we in een tijdcapsule de lange geschiedenis van Nederland achterna reizen. Om 2 seconden voor middernacht kijken we naar de landvormen die in het Saalien zijn ontstaan.
Het Verhaal van Twente
Dit is ook een deel uit Het Verhaal van Twente. In de serie rafel ik de geologische geschiedenis van Twente uiteen in negen puzzels.
Het standaardwerk over het ontstaan van de landschappen in Nederland: Jongmans.





Prachtige kaart van Noord Nederland, Duitsland en deel van Polen! Even opgesnord.
Kaartbijlage uit Herbert Liedtke, 1981, Die Nordische Vereisungen von Mitteleuropa.
Heb je een online versie kunnen vinden waarvan de legenda leesbaar is?
Oh, er staat een downloadbare pdf online, goede detailering.
Ja mooi he, geweldig als wandplaat. Bijna 3D, het lijken wel modderstromen die op je af komen bulderen. Ook nog dank voor het vinden van de kaart online. Ik was zelf de bron kwijt, zoals je kunt zien aan het vraagteken in het onderschrift, maar inderdaad, Liedtke die Nordische Vereisungen von Mitteleuropa, met leesbare legenda. Veel plezier met de kaart.