Nederland staat vol watererfgoed. Van sluizen van wereldformaat tot peilsteentjes in oude muren. Sommige rijksmonument, andere vogelvrij. Hier een overzicht.
[Dit stuk breidt zichzelf snel uit]
Inhoud
Sluizen
Een sluis scheidt hoog en laag water. Veel mensen denken meteen aan een schutsluis voor schepen, maar er zijn ook sluizen die niets met scheepvaart te maken hebben.
Een sluis kan open of dicht staan. Dat is anders dan bij een stuw: bij een stuw kun je de waterhoogte bovenstrooms regelen met een drempel: als je die drempel optrekt, blijft het water bovenstrooms hoger staan. Een sluis is als een deur: open of dicht. Er zijn ook tussenvormen.
Nederland ligt vol sluizen. Al honderden jaren maken we hier sluizen. De oudste sluis van Europa – die het nog doet – ligt in Spaarndam. De grootste sluis ter wereld is de Zeesluis IJmuiden.
In mijn leerboek ‘Sluizen en gemalen, bouwtechniek in Nederland deel 5’ van Arends staan 10 soorten sluizen. Arends deelt in op functie, maar voor de fietser is de vorm logischer, want dat is wat je ziet. Vraag 2 is pas ‘waarom ligt die sluis hier?’.
Dus ik deel ze in op basis van wat je onderweg ziet:
- kokersluizen: sluizen waar je niet doorheen kunt varen – een buis met een klep;
- keersluizen: sluizen waar je doorheen kunt varen als hij open staat en niet als hij dicht staat – een deur;
- schutsluizen: sluizen met een kom voor schepen en aan beide kanten deuren.
Kokersluizen
Kokersluizen liggen in een dijk en je kunt er niet met een boot door. Het doel kan zijn: een haven schoon spuien, een polder uitwateren, in oorlogstijd land inunderen, een overstroomd gebied ontlasten, en nog een heel rijtje. Nederland ligt vol kokersluizen. Je fietst er blind overheen en merkt niets. Meestal zie je zoiets: een duiker met een klep ervoor en een mechanisme waarmee die klep open en dicht kan.

Of je ziet eigenlijk helemaal niets, want de sluis is niet meer dan een buis onder de weg met een kastje waar de klep bediend wordt. Maar er bestaan ook fraaie exemplaren, bijvoorbeeld deze bij Munnekezijl:

Keersluizen
Keersluizen bestaan uit een enkele hoge deur. Die deur kan een enkele of dubbele openslaande deur zijn, een schuifdeur of een opgetrokken hefdeur zoals op de foto links. De deuren staan meestal open, en dan mag je er met een boot door; alleen bij stormvloed zijn ze dicht. Als er een weg is, gaat die niet bovenover maar er langs.


Schutsluizen
Schutsluizen hebben een dubbel stel deuren met een schutkolk ertussen. Daar vaar je naar binnen, dan wordt de deur achter je dichtgedaan, vervolgens stijgt of daalt het water, en als het water op de juiste hoogte is, worden de andere deuren geopend en kun je verder varen.

Drie soorten sluizen, drie artikelen. Daarin ga ik woorden gebruiken als vloeddeur en ebdeur, zoute en zoete deur, kaapstander, haalkom, rinket, heugelstang, achterhar en voorhar, trekstang en schrankschoor.
Stuwen
Het doel van een stuw is het op peil houden van het water bovenstrooms.
Een sluis kan open en dicht, een stuw kun je instellen op een bepaalde waterhoogte. Hier zit ook een grijs gebied: door in een kokersluis met meerdere kokers sommige kokers dicht te houden, stel je het debiet in van het water dat er doorheen stroomt, en dus ook de waterhoogte in het achterliggende kanaal en de polders. Zucht….
Sluizen werken met deuren of schuiven die open en dicht kunnen, stuwen werken met een drempel die omhoog of omlaag kan. Maar ook daar zit een grijs gebied, want niet alle stuwen werken met drempels. Ik heb het gevoel dat ik dit blog na moet kijken op het gebruik van de twee termen, vooral met betrekking tot de kleine sluisjes in de buitenpolders langs de Rijn: zijn dat nou sluisjes of stuwtjes? Sluisjes, denk ik. Nog een zucht….
In de Rijn staan drie prachtige stuwen.

In polders zie je vaak zoiets (dit was in 2018, een superdroog jaar):

Poldermolens en gemalen
Een gemaal of poldermolen hebben hetzelfde doel: water omhoog pompen. Vroeger gebeurde dat met molens op wind.

Uniek in Nederland: de tonmolen bij Paasloo:

Poldermolens zijn er nog zeker, honderden.
Gemalen bestaan uit twee onderdelen: de motor en de pomp. De motor werkt op stoom, gas, diesel of stroom. De pomp kan zijn een vijzel, schroefpomp, waaierpomp, of een centrifugaalpomp. Zo kun je een heel aantal typen onderscheiden. Sommige gemalen zijn gigantisch, andere zijn klein duimpjes.

Peilschalen

Peilschaalhuisjes
Een peilschaalhuisje is een vinding uit de 19de eeuw: erin stond een apparaat waarmee de waterhoogte automatisch werd gemeten. Dit was een zelfregistrerend apparaat met een vlotter waaraan een verticale staaf zit met een schrijfstift die op een papierrol tekent. Dit systeem is uiteraard gevoeliger voor vandalisme en weer en wind, dus die zelfregistrerende meetpunten zijn overdekt. Ze leveren de leukste huisjes op, pareltjes van architectuur. Enkele zijn er nog, maar uit de meeste is het apparaat verdwenen.

Peilschaalputten
Peilschaalputten zijn open bakken waar peilschalen in staan, meetlatten waarmee het waterniveau werd gemeten. Bij de meeste is de meetlat weg, en ik denk dat de buis waarmee het ding in verbinding stond met de rivier ook weg is, of misschien ook wel niet – wie haalt er nou een buis weg als hij niet in de weg zit? Maar die buizen zitten waarschijnlijk wel verstopt.

Palen
Lang niet alle palen zijn watererfgoed natuurlijk, maar je ziet een paal, en wat is die paal? Hier palen die horen bij watererfgoed.
Hoefslagpalen
Wel watererfgoed: Hoefslagpalen staan op dijken en geven aan wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van een stuk dijk. Hier een paar toppalen.

Wortelpalen
Wortelpalen plaatst Rijkswaterstaat aan het begin van een krib in een rivier.

Dijkpalen
Bij dijkpalen verzamelde zich vroeger het dijkleger – alle jongemannen uit de verre omgeving – bij dreigend watergevaar. Ik vermoed dat er meer functies zijn voor dijkpalen.

Rolpalen
Rolpalen stonden in een bocht van een kanaal. Ze hebben een mechanisme dat ronddraait. Ze werden gebruikt in een bocht van een kanaal om de lijn van een schip omheen te leggen, zodat het schip de bocht kon nemen en niet tegen de kant werd getrokken. Hier een foto van een rolpaal in de haven van Stavoren.

Dijkvakpalen
De waterschappen plaatsen elke 100 meter een paaltje op de dijken met een code. Zo kun je gemakkelijker communiceren bij problemen. ‘Verzakking bij paal RB120’ is wat handiger dan ‘Verzakking op de dijk na die grote wilg waar altijd die spreeuwenkolonie in zit’. Nou ja, hetzelfde als langs snelwegen en provinciale wegen uiteraard.


Onbekende palen
Tja ik weet ook niet alles. Hier palen waarvan ik niet weet waarom al die moeite is gedaan om ze te plaatsen.



Bakens en bakenbossen



Coupures
Coupures zijn openingen in een dijk waar een weg doorheen gaat. Zo nodig kan de coupure worden afgesloten met schotbalken; bij veel coupures liggen de schotbalken naast de coupure in een huisje.

Duikers en heulen
Duikers en heulen zijn waterdoorgangen onder een weg door. Heulen zijn gemetseld, duikers zijn prefab beton.

Palenkribben


Waterputten
In artesische waterputten ‘spuit’ het grondwater omhoog. Nortonputten noemen we die, genoemd naar de uitvinder van de buis in die put. Via een gootje stroomt het water weer weg – want dat loopt gewoon door natuurlijk.











Hoi Mathilde, interessant onderwerp en mooie foto’s, ook in je andere artikelen over het Lauwersmeer. Je noemde ‘Sluizen en gemalen, bouwtechniek in Nederland deel 5’ , lijkt me interessant, is dit een publicatie die nog ergens beschikbaar is?
En ga zo door…./
Dank voor je compliment! Ik zie het boek staan op boekwinkeltjes. De auteur is G.J. Arends. Het is van 1994, en behandelt de bouw van stuwen en sluizen tot 1940.