De heuvels van Delden, Borne en Azelo zijn een heuse stuwwal, de Stuwwal van Delden. Dat blijkt een samengeklonterde stuwwal te zijn met een goot ertussen. Kijk met me mee.

De Stuwwal van Delden is een van de landvormen uit het Saalien. Op de volgende geomorfologische kaart zien we alle stuwwallen in Twente en Salland in rood . De stuwwal van Delden ligt in het midden, de grotere Sallandse Heuvelrug ligt links.

De Deldeneresch is het hoogste punt met 31 meter, 16 meter boven de groene Oelerbeek die in de goot tussen de twee halve stuwwallen doorstroomt naar het noorden.

We zoomen in.

Het ontstaan van de stuwwal van Delden

Een stuwwal is een landvorm van de glaciale reeks. Erbij hoort een ijstong: maar welke ijstong heeft deze stuwwal opgeperst? Ik kan geen aanwijzing vinden wat de strekkingsrichting van de stuwwal zou moeten zijn, dus waar dat ijs vandaan moet zijn gekomen. Dit is een los draadje wat ik wil afhechten.

Vanwege de rode ∪-vorm lijkt het in eerste instantie dat vanuit het noorden een kleine lob van een groot ijsveld stuwwalletjes naar buiten toe opgestuwd. Maar dat lijkt me niet logisch. Logischer lijkt me dat het een samenklontering is van twee stuwwallen die tussen twee ijsvelden in geklemd raakten: een ijsveld ten westen en eentje ten oosten van Delden. Beide persten een stuwwal aan de zijkant op, en die twee stuwwallen klonterden samen tot deze stuwwal van Delden.

De westelijke stuwwal is de Deldeneresch, de oostelijke de Es van Azelo. Samen vormen ze de Stuwwal van Delden.

Voordat alle ijstongen in Twente en Salland aaneengegroeid waren, moeten deze twee heuvels als eilanden in een zee van ijs gelegen hebben. En dat klopt, want de rode eilanden liggen in een bruine en vleeskleurige zee van keileem. Maar de eilanden werden ook overreden door een grote ijstong die de stuwwallen heeft versmeerd.

Het roze vlekje bij de Es van Azelo wijst erop dat er tijdens het smelten van het ijs een rustig meertje lag in een stille kom tussen de stuwwallen waar fijn sediment langzaam in laagjes kon bezinken: zo is het kameterras bij Borne ontstaan.

Opvallend vind ik dat de Oelerbeek gebruik heeft gemaakt van de goot tussen de twee samengeklonterde stuwwallen – dit is me niet echt duidelijk, als ik twee stuwwallen laat botsen, ontstaat er geen goot maar juist een hogere berg. De beek heeft waarschijnlijk heel wat van het kameterras weggeërodeerd. Dat is wel jammer want kameterras hebben we niet zoveel in Nederland.

Een stuwwal is opgeperste lokale afzetting. Bij de Veluwe zijn dat zanderige Rijn- en Maasafzettingen, maar hier is die lokale afzetting Tertiaire klei. Dat kunnen we zien in een geologische doorsnede. Het profiel loopt van Deldenerbroek over de Deldeneresch naar het centrum in Borne. Links de hoogte en diepte. De zwarte lijnen zijn boorprofielen, zie het kaartje eronder.

doorsnede deldener esch - kaart
DINOloket

De kleuren van jong naar oud:

  • Bovenop ligt geel dekzand: Boxtel, BX, uit het Weichselien
  • Daaronder ligt oranje keileem uit het Saalien: Drente, DR
  • Ook uit het Saalien maar net iets ouder, want gevormd voordat nieuw ijs eroverheen walste, is het grijze stuwwalletje van Delden: Drente gestuwd DT
  • Daaronder ligt in het westen groen: Breda BR uit het Mioceen, Tertiair. Deze Tertiaire klei is opgeperst tot stuwwal.
  • Daaronder ligt paars: Rupel, uit het Oligoceen, Tertiair, 34 – 23 miljoen jaar oud. Bij Borne is daar keileem tegenaan geschoven: blijkbaar vormde deze stugge klei een barrière voor de ijstong.
  • Onderop ligt donkerpaars: Dongen, uit het Eoceen, Tertiair. Deze afzetting doet niet mee in dit verhaal.

Maar nu komt het: de nieuwste theorie is dat het oostelijke deel van de stuwwal uit het oosten is verplaatst. Dat het lag in de Rossummerpoort en is meegebulldozerd door ijs dat uit Nordhorn door de Hezinger stuwwal brak en het bekken van Hengelo uitdiepte. Dat het dus een verplaatste stuwwal is, net als in die theorie de Lonnekerberg. Hmm, dat kan, ik ga even een hypothese uitpuzzelen:

Stel, de westelijke stuwwal van de Deldeneresch lag er al, opgeperst naast het ijsveld in het westen. Het ijsveld is dikker dan dit stuwwalletje hoog is – het is niet meer dan een rimpel naast het ijs – en smeltwater loopt over de stuwwal heen en verzamelt zich in een smeltwaterbeek waar nu de Oelerbeek stroomt. Stel vanuit het oosten bulldozert een groeiende ijstong hier de Es van Azelo, een andere stuwwal tegenaan, eentje die voorheen ergens bij Rossum lag. Zand dat in het dal van de Oelerbeek zakt, wordt door die beek meegenomen – dat verklaart ineens waarom die Oelerbeek in de goot tussen twee stuwwallen stroomt. Dit kan, het is een hypothese, maar ik houd hem erin.

Wat is opvallend vind: ik ben gewend dat stuwwallen natuurgebieden zijn, begroeid met bos en heide. Dat is hier niet zo: beide stuwwaldelen zijn essen, akkerland. Daar moest ik even over nadenken, maar het is logisch: het moedermateriaal is immers Tertiaire klei en niet de rivierzanden die op de Veluwe het moedermateriaal vormen. Een totaal andere situatie dus.

Serie Het Verhaal van Twente

Dit is een deel in de serie Het Verhaal van Twente waarin ik de geologische geschiedenis van Twente en omstreken uiteen rafel in negen puzzels. De stuwwal van Delden is een puzzelstukje in de vijfde puzzel.

 Alle afbeeldingen

  • Geomorfologische kaart Twente
  • Geomorfologische kaart Deldeneresch