In 1554 verbiedt Keizer Karel per plakkaat om veen en heide in brand te steken. In 1556 volgt eenzelfde plakkaat van de Stadhouder. Lees met me over de achtergrond van veen- en heidebranden..

Een plakkaat is een wet die wordt aangeplakt zodat iedereen er kennis van kan nemen. Deze twee plakkaten gaan over branden in heidevelden en hoogveengebieden, dus niet over het afbranden van veen om boekweit te kunnen verbouwen.

Mijn bron van plakkaten is het Groot Gelders Placaetboek, dus deze plakkaten zijn bedoeld voor het Vorstendom Gelre, Graafschap Zutphen en ook de Landen van Utrecht worden genoemd. Ik neem echter aan dat plakkaten van de Keizer of Stadhouder in heel Nederland werden verspreid.

Veenbranden voor de boekweitcultuur

Voor we naar de plakkaten gaan, eerst iets over dat veenbranden voor de boekweitcultuur. Boekweit kon prima op veen verbouwd worden, dit in tegenstelling tot graan en aardappelen. Dus de veenwerkers die de immense veengebieden aan het afgraven waren (in opdracht van investeerders uit het Westen) mochten van hun bazen een stukje veen daarvoor gebruiken. Dit veen moest daarvoor jaarlijks afgebrand worden, en dan kon men weer boekweit verbouwen. Dat moest zorgvuldig gebeuren, want het was natuurlijk niet de bedoeling dat het grote veengebied affikte. Men zegt dat de rookwolken van het veenbranden in de Drentse koloniën tot in de Randstad te zien waren – eigen schuld denk ik dan, elk voordeel heb zijn nadeel. Hier een protestplaatje uit 1878: links zie je stadsen met opgetrokken neus langs het veen lopen. De vrouw rechts lijkt me gevaarlijk bezig met haar lange rokken zo bij het vuur.

Ik lees veel boeiends over deze boekweitcultuur, en dat wordt een keer een ander verhaal. Ik heb een prachtig stuk gevonden over een heidebrand en boekweit bij Garderen, maar ook dat is een ander verhaal – dat komt over twee weken. Ik vind veel te veel verhalen, 2025 is al bijna volgepland.

Heidebranden

In Gelderland en Utrecht kwamen heidebranden regelmatig voor. Boeren staken heidevelden aan om die te verjongen, want oude heide is voor hen waardeloos. Ze kunnen er geen plaggen halen en schapen lusten geen oude heide. Heidebranden en bosbranden ontstonden natuurlijk ook per ongeluk. Als een bakhuis in de fik vloog, een vrouw as uit een haardvuur weggooide, een boer vuil verbrandde.

Als er ergens een brand was, moest de brandmeester of bosmeester boeren bij elkaar roepen door middel van het luiden van de klok om de brand te blussen, maar die boeren hadden daar meestal geen zin in – ik heb meerdere stukken gelezen waarin de bosmeester klaagt over de slechte opkomst van boeren bij bos- en heidebranden. Met emmers, schoppen en spades werd geprobeerd de heidebrand te blussen. Wat een ellende, waar haalde men water vandaan op de droge dorre oude heide? Geen wonder dat kleine brandjes uit de hand liepen.

NB: plakkaten transcribeer ik niet zelf; het Groot Gelders Placaetboek is gedrukt in 1701 (deel een) en 1703 (deel twee), maar staat vol drukfouten. Die ga ik niet ‘verbeteren’ want ik heb geen origineel. Kijk eens wat een mooie boeken:

Ende off gebuerde dat opten zelven venen eenigen brant quame sal in sullicken gevalle die Officier off Scholtis tho Ede gehouden zijn bij clockenslach mitten ondersaeten van Ede terstont bij den brande te gaen mit eemers schuppen spaeijen ende ander gereetschap als daer toe dient, om den brant te helpen blusschen, op pene in de gewointlicke penen te vallen, die wellicke die gene verbueren die den clockenslach nijet en volligen.

Keizer Karel ziet in deze branden twee gevaren: (1) de gestoken turf die op de venen ligt te drogen vat gemakkelijk vlam en dat is een groot economisch verlies en (2) hout en bossen daar omheen gelegen worden vernield en ook dat is een economisch verlies. Voor hemzelf dan, voor boeren was het afbranden van heide juist economische winst. Karel noemt niet het gevaar voor akkers of boerderijen…..

Keizer Karel merkt ook op dat boeren op de heidevelden hutten en huisjes maken, inclusief bakhuisjes, die een strooien dak hebben en gemakkelijk in brand vliegen. Dus, zo zegt hij, moeten al deze hutten en huisjes binnen veertien dagen na publicatie van het plakkaat afgebroken worden.

Ende alzoe ons te voeren kompt dat eenige gemaeckt hebben, ende noch daegelicx opten venen maecken cleijne hutten off huijskens, insgelicx cleijne backhuijskens die mit stroo offt horden omset ende met stro gedeckt sijn, tot groote perijkell van allen die veenen daer deur aen brant gesteecken te worden, als oick durch gelijcken tot verscheijden tijden ende noch onlancx groote perijckel is geweest, is onse meijnonghe und wij ordonneren dat men alle alsullicke huijskens hutten ende bachuijsen terstont binnen veerthien daeghen nae publicatie van desen then langsten aff breecken, ende van nu voirtaen egeen andere meer maecken en sal moegen, op peen dat die gheene die bevonden wordt ter contrarien doende ons vervallen sal zijn in een peene van vier Carolus gulden, ende noch gehouden worden die zelve off to breecken,

Ook geeft hij bouwvoorschriften: hutten moeten van steen of leem zijn, met stevige gebinten, en bakhuisjes moeten een schoorsteen hebben. Volgens mij stond Keizer Karel V ver van de lokale realiteit af….

Ook verbiedt hij om as buiten het huis te gooien tenzij het eerst geblust is:

Item dat nijemandt opten veenen voirnoempt eenighe assche buijten den huijse storte off worpe, ten zij dat die ijerst mit water wel geblust ende ’t vijer uijtgegoten zijn, op peene van te verbueren t’ elcke reijse eenen Carolus gulden, die twee deelen tot onsen, ende ’t derdendeel tot des aenbrengers behouff ende prouffijt,

Een andere regel was dat schepers niet hun schapen mochten weiden op heidevelden die tot drie jaar ervoor waren afgebrand. Eerst moesten de heide en jonge bomen kans krijgen om weer uit te groeien. Dat werd door schepers nogal eens overtreden, want schapen zijn dol op die jonge malse groene plantjes. Uit een plakkaat uit 1632:

SOO IS ‘ T , dat wij, ten opsichte van dien , volgens resolutie van den Wel-gedachten Heeren Staten in Junio naestleden binnen Nijmegen ghenomen, geinterdiciert ende verboden hebben, gelijck wij interdicieren ende verbieden in krachte deses, allen ende eenen jederen voortaen eenige schaepen te weyden ofte te hoeden, op afgebranden heydvelden onder drie jaeren, na ‘ t afbranden van de selve heydvelden, by verlos van de helfte van de schaepen, die op soodanigen brandt binnen drie jaeren vernoemt gevonden sullen worden, te vervallen ende te kommen tot profijt van den Officier ter plaetsen, voor twee derde-parten, ende ‘ t resterende dardendeel ten behoeve van den aenbrengher.

In 1556 volgt het plakkaat van de Stadhouder op de heidebranden op de Veluwe. Hij bespreekt uitgebreid de straf als iemand niet komt opdagen bij het blussen. Interessant is dat hij ook ingaat op het bestrijden van zandverstuivingen.

Ende oft eenige zanden waren off duren brant, (dat Godt verhuede) off andere verresen und op velden, dat als dan die Scholt ind Buermeesters mit die nabueren dair die zanden weren, sullen moegen provisie verordinieren ind ordonnancie maicken, omme die zanden voer to kommen mit bestekinge und anders, ind die tot walfaert des Lants to dempen. Ind die sich hyer inne onwillich lyer vinden, solde insgelijcken gebrueckt hebben vier Heeren pont, welcke beijde broecken der vier Heren ponden zijn sullen tot oncosten die daer op gaen ind teronge des Buer-Richters und andere gedeputeerde ind met to bestoeyonge end besteekonge der gemenen zanden.

Ik heb nog nooit ergens gelezen dat heidebranden medeoorzaak zou kunnen zijn geweest van de zandverstuivingen op de Veluwe: de meeste schrijvers geven de boeren de schuld die teveel schapen op de heide zouden hebben gehoed. Wat onzin is: het aantal schapen van boeren is door de eeuwen heen niet veel toegenomen, want een boer heeft niet meer schapen dan hij nodig had voor de mest op zijn land, en het aantal boeren nam niet zoveel toe, en het landbouwareaal dat hij kon bewerken ook niet. Grootgrondbezitters hielden wel grote kuddes (voor de wol), maar over dat onderscheid lees ik niet zoveel. Maar ook heidebranden dus….

Ha, nou zoek ik een mooi plaatje van een tekening of schilderij van een heidebrand of bosbrand. Het liefst uit de 16de eeuw. Het enige dat ik vind is dit:

De beschrijving is: Krishna blust een bosbrand. Nou, het had zo de Veluwe kunnen zijn: de Hollandse bewolkte grijze lucht, de stuwwal met de paarse heide die in brand staat, jeneverbesstruiken, schapen, een ven met witte waterlelies (dat zijn vast heilige lotussen), grote zwerfstenen tussen het zand. Alleen de boeren, bosmeester en schout van Ede zien er wat anders uit.

Premium inhoud

Premium abonnees kunnen verder lezen

leeg

Alle afbeeldingen