In 1779 vatte Martinet het plan op om een waterval die hij had gezien op het Rozendaalseveld op te leuken voor toeristen. Hij had zich helaas vergist in de waterval.

Jan Floris Martinet uit Amsterdam was predikant in Zutphen. Hij schreef in 1779 een Katechismus der natuur, een serie van 4 delen, die meer dan 100 jaar op scholen is gebruikt. Hierin schrijft hij op p. 403:

Er is een fraaije waterval, bijna vier uren van hier, op den weg, die van Zutphen naar Arnhem over de hooge Veluwe gaat, doch weinig wordt gebruikt, omdat een andere weg derwaarts langs
den weg Veluwezoom korter en lustiger is, waardoor het komt, dat deze waterval aan zeer weinigen
bekend is.

Hoe reed hij? Ik denk Zutphen – Eerbeek – Imbosch – Groene Vleck en dan of de Loenenseweg naar Velp of de kortere weg via Valkenhuizen naar de Apeldoornseweg. De Groene Vleck is het knooppunt ongeveer in het midden van de volgende uitsnede van de kaart van Bernard Elshoff uit 1722 van Rozendaal.

Nog een citaat:

Ten zuidwesten van dit bosch, den zoogenoemden Beerenberg eerst beklommen, en dien daarna een weinig afgedaald hebbende werden wij, op het onverwachtst, verrast, door dezen fraaijen waterval. Onze eerste verbaasdheid een weinig bot gevierd hebbende, begonnen wij denzelven nader te onderzoeken. Een gedeelte van den zeer hoogen Beerenberg, door den genoemden onvermoeiden edelman met boomen beplant, vóór ons nu gelegen, eerst in aanmerking nemende, begrepen wij ligtelijk, dat het daarop gevallen regenwater, bij de afzakking, het meertje vormde, hetgeen wij in de
helling van dien berg ten oosten voor ons zagen, waarin eenige eilandjes, met biezen bezet, zich opdeden. Nu hadden wij berouw, dat wij niet eene schuit op eenen wagen geladen, en met ons genomen hadden, om, er in gezeten zijnde, de diepte van het meertje te peilen: met ons rijtuig daarin te rijden en het dus te beproeven, durfden wij niet ondernemen.

Het water dat zich uit hetzelve ontlast, liep midden over den rijweg tusschen het meertje en den
waterval vrij ondiep heen, en had den grond ter plaatse, waar dezelve zeer schuins in eene vallei
afloopt, van tijd tot tijd uitgehold, en dus eenen val gevormd. Wij maten de diepte der uitholling, en
bevonden die van veertien tot twintig voeten; de bodembreedte ongelijk uitgescheurd, van dertig tot
vijftig voeten. Hierop klauterden wij in deze diepte af, en zagen daar met verbaasdheid de verwoesting
in dit ruwe kanaal, door geene menschelijke hand, maar alleen door het water gevormd; met de verschillende beddingen der gronden; met de groote aardklompen, door de uitkabbelingen des sterken strooms, die nu zacht, dan geweldig gaat, van boven afgevallen, en rondom ons onachtzaam nedergestort, of nog hangende en dreigende te vallen; met eene menigte van albaster agaat en andere steenen, versierd met allerlei kleuren; sommigen zelfs opgepronkt met aardige spelingen. –

Waarom, zeiden wij toen, zijn niet onze kabinetten met dezelve verrijkt? Verdient dan het uitheemsche alleen daarin eene plaats, en moet het onze vaderlandsche fraaiheden daar uit dringen? – Wij namen er een deel van mede. – Hier staande, en dezen waterval aandachtig beschouwende, hield de hier heerschende woestheid der natuur onzen geest, ik weet niet, in welke stille verbaasdheid. Wij bevonden ons tusschen twee hooge ongeschikte muren van ongevormde aardklompen: het oor werd gestreeld door het gedruisch des vallenden waters, en aan de regterzijde zag het oog den kristallijnen stroom over een nu naauw dan verbreed bed schuimend heen vlieten. Hier was geen einde aan het zien naar alle kanten. De koelte, die hierbij heerschte, gaf ons op den warmen middag eene aangename verfrissching.

Hij doet het voorstel de plek op te leuken met dennen en er een hut naast te bouwen. Hij is gewoon dolenthousiast, leuk toch? In deel 1 schrijft hij (p. 216 – 219):

[…] dat men eenige halve cirkels van dennenboomen achter het meertje tegen den opgaanden berg zou planten, opdat elk aanschouwer, staande bij den waterval, en het oog over het meertje slaande, door eene grootsche beschouwing getroffen zon worden; dat men den smallen reeds ingezonken rijweg tusschen den waterval en het meertje zou ophoogen, en eenige palen in den grond heijen aan de zijde des vals, om het geweldige wegscheuren van den grond des rijwegs en het inkolken te beletten; dat men een staketsel op den kant des rijwegs zou slaan, om de ongelukken van, bij eenen duisteren avond, in de diepte des watervals te storten, voor rijtuigen, en menschen, die hier henen trekken, te voorkomen, dat men eenen duiker van dertig voeten lengte, onder door den rijweg, onzigtbaar zou leggen, om, wanneer men wilde, den val des waters, een weinig
optehouden, of ten genoegen der aanschouweren geweldiger te maken;

Tja, wie nu bij de Beerenberg fietst, ziet echt geen waterval noch meertje. Waar Martinet met een schuit overheen had willen varen! Hoe zit dit?

Hij maakt er een prachtige tekening van.

Jacques Thijsse had dit ook gelezen, en vindt Martinet reuze betrouwbaar dus neemt aan dat die het echt zo gezien heeft. Thijsse legt de waterval bij de Terletsepas of Groene Vleck, dat is het kruispunt van fietspaden bij fietspunt 68 aan de Eerbeekseweg ten noorden van de brandtoren. Dan zou het water de bovenloop zijn van de Eerbeeksebeek. Thijsse vindt dat Martinets tekening de realiteit zou kunnen weergeven: gezien de plantengroei kan dit volgens Thijsse geen plek zijn waar alleen na een regenbui water staat. Thijsse gelooft echt dat hier in 1777 een waterval was met bijbehorende plantengroei.

Hmm, ik zie op de tekening planten die lijken op pitrus, en dat groeit hier overal waar het wat vochtiger is. Nee Thijsse, volgens mij ben je te goedgelovig wat Martinet betreft. Ik ben meer een volgeling van Jolle Bartens die hier in het blad van Oud-Rheden uitgebreid over geschreven heeft en de waterval ergens anders legt en het enthousiasme afzwakt.

Hoe zit dit? Waarom zakt het regenwater niet in de zanderige heidegrond? Op de tekening van Martinet zien we lagen. Nou zal ook dat wel niet zo nauwkeurig getekend zijn, maar ik denk wel dat hij gezien heeft dat de waterval in sprongen naar beneden viel. En dat is cruciaal in mijn analyse.

De bronnen en sprengen (= kunstmatige bronnen) op de hellingen rond de Veluwe liggen waar scheefstaande kleischotten de helling zo raken dat water niet verder kan zakken en uit de helling treedt. Dat is hier niet het geval. Dit gaat om een ondoordringbare laag ijzer waarop water blijft staan. Dat noemen we ijzeroer. IJzer is het meest algemene mineraal in onze aarde, en het grondwater in de Veluwe is ijzerrijk. Waar dit water door kwel omhoog komt en dan verdampt door capillaire werking in een warme zomer, blijft ijzer achter en daar ontstaan ijzerbanken. Waar in de 19de eeuw dennen geplant werden, moesten arbeiders eerst deze ijzerlaag stuk slaan opdat het water weg kon vloeien. Dat heet riolen.

In de tijd van Martinet was het dennenbos op de Beerenberg er nog niet, en er was dus ook nog niet gerioold. Het zag er hier uit zoals nu op het Deelense Veld: natte heide, vennen, flessen. En waar deze ijzerlaag stopt (= waar geen kwel is), ontstaat een waterval die achterwaarts verder een dal uitslijpt. Hier wat plaatjes van andere plekken waar deze fenomenen nu nog te zien zijn:

Daar zit hem precies het antwoord: niet ver onder het maaiveld zit een ondoordringbare ijzerbank waarop water staat. Vandaar die pitrus: veel mensen denken dat het bovenop de Veluwe droog is, maar het is juist op veel plekken kletsnat. Zeker na een regenbui. Martinet zal vlak na een regenbui hier geweest zijn en hij zal zeker deze waterval en diepe geul gezien hebben, maar hij had niet begrepen dat dit na enkele weken zou zijn opgedroogd.

We zitten ten noordwesten van de brandtoren naast het Rozendaalseveld. Dit is een van de hoogste dalen in het stroomgebied van de Heelsumsebeek: Het Terletsedel. We kijken eerst eens op topotijdreis. We zien hier de Beerenberg (geen beren maar bessen) van 90 m+ NAP, inmiddels vol dennen geplant, en ten westen van de Beerenberg ligt een erosiegeul die naar het noorden afloopt naar het Terletsedel.

NB een voor een gaan de delen in de Serie Het Merckendal open voor iedereen. Dal 4, het Terletsedel, is nu ook open.

Rechtsonder in de hoek is de rode stip de brandtoren. Ten noorden van het dennenbos ligt het fietspad naar Eerbeek op de bodem van het dal, waar het water uit de geul uiteindelijk in uitkomt – het zal deze weg zijn die volgens Martinet aan zware erosie onderhevig is, hoewel hij ook over de weg ten zuiden van het dennenbos gereden kan hebben – die laatste weg is nog altijd zwaar aan erosie onderhevig.

Ongeveer dezelfde uitsnede op het AHN. Wow, indrukwekkend:

Karrensporen steken de geul over. Wat was er eerder, de karrensporen of de geul? De karrensporen, anders hadden we ingezakte hellinkjes gezien. Op de volgende uitsnede zien we dat de geul door de sporen heen snijdt, en niet andersom. Hoe oud zijn die sporen? Is dat de koets van Martinet? Maar dan leest G dat dit militair gebied is geweest en ineens krijg ik een beeld van oefeningen om een gully over te steken. We lezen een artikel in Ambacht en Heerlijkheid – het blad van de Oudheidkundige Vereniging in Rheden – dat dit bevestigt.

Op een doorsnede met overdreven hoogteschaal is het nog indrukwekkender.

Maar nou het allerwondelijkste: Martinet heeft hier ook edelstenen gevonden. Hij schrijft:

Hier ligt een Steen, waarop de Bladeren van eene Plant met eene purpere koleur zyn ingedrukt; een andere platte Steen, die de schyf van den stam eenes Booms met zyne ringen verbeeldt, welken ik beide met deeze Diamanten, Agaaten, Jaspissen, Marmersteenen met Kristallen, en veele andere schoon gekoleurde en getekende by den Waterval aan den Imbosch op deeze Veluwe heb verzameld – daar eenige groote Veluwsche Diamanten, op het fraaie Rederoord gevonden, die, gesleepen zynde, voor waare Diamanten gehouden zullen worden. Bezie deeze knoopen in myne mouwen, die er van gemaakt zyn.

Er liggen hier inderdaad zwerfstenen dat ijs (dat ongeveer tot hier is gekomen) heeft meegenomen uit Scandinavië. Maar agaten en jaspissen?

We fietsen erheen uiteraard – dat wil zeggen, eigenlijk moeten we het laatste stuk lopen en we mogen niet van het padje af. Het lukt me zoals gewoonlijk niet om de geul goed op de foto te krijgen, maar ik ben wel onder de indruk. Ik vind geen zwerfstenen noch grind, want alles is onder zand bedekt.

Het zijn geen Zwitserse kloven, maar als we die dennen boven aan de rand zouden zetten en het gras in het dal, zou de geul meer opvallen.

Ik loop natuurlijk helemaal door tot de plek waar de waterval gelegen zal hebben – dat wil zeggen, ik neem aan dat de achterwaartse erosie sindsdien verder is opgeschoven, maar ik loop tot het bovenste punt van de geul. Hier hangt een wildcamera waar ik vast op sta, ik zie een boomhut voor wildobserveerders, en ineens voel ik me verlaten en kwetsbaar voor een wolf. Ik ga zenuwachtig terug naar mijn fiets. Ik krijg te horen dat ik dit niet had mogen doen.

En ik maak een filmpje:

Wie dit ook wil zien zonder van het pad af te gaan: de geul is het best zichtbaar vanaf het pad dat ten zuiden langs het dennenbos loopt. Dit pad daalt steil af naar de geul. Het is geen fietspad.

Het Hessengat is prachtig. Daar kan iedereen op een mooie dag mooie foto’s maken.

Even iets anders: een jaar geleden kondigde AHN aan te stoppen met mijn favoriete weergave. Voortaan zouden ze boomkruinen als witte stippen weergeven, want daar konden ze niet doorheen kijken. Ik heb toen nogal wat mensen in beweging gebracht, onder andere de archeologische vereniging, die dit ook een afschuwelijk idee vonden: het zoeken naar raatakkers zou dan onmogelijk worden. Ik had echt het idee om maar te stoppen met dit blog, want het AHN is zo’n ongelooflijk goede en mooie bron. Ik gebruik nu een andere weergave van Esri Nederland. De kleuren vind ik minder mooi (te donker), maar ooh wat ben ik blij dat die er is. Hier twee uitsnedes: de rechter is de zogenaamde verbeterde versie van AHN, de linker is Esri Nederland die ik nu altijd gebruik.

Op deze uitsneden zie je links boven nog een indrukwekkende erosiegeul: het Wolfsdal. Daar mag je helaas ook niet komen (ik begrijp het wel hoor, maar ik houd ervan om vrij over een veld te lopen). De geulen zijn zijdalen van het Terletsedel, hoog in het stroomgebied van de Heelsumsebeek. Waardoor liggen juist in het Terletsedel zulke actieve erosiegeulen, en niet in die andere? Ik denk omdat de dalbasis hier lager is, want hier kwam meer smeltwater doorheen. Dit was namelijk het hoofddal van het smeltwater. Het ijs dat in de IJsselvallei lag, kwam tot op de pas, De Groene Vleck of Terletsepas, en van onder dat ijs stroomde het smeltwater door dit dal.

Alle afbeeldingen

  • uitsnede uit hoogtekaart
  • uitsnede uit hoogtekaart
  • Deelenseveld
  • uitsnede uit hoogtekaart
  • ijzerbank
  • Deelenseveld
  • waterval van Martinet
  • waterval van Martinet
  • haarpodzol
  • Erosiegeul bij de waterval van Martinet
  • Hessengat
  • Hessengat
  • Erosiegeul bij de waterval van Martinet
  • Erosiegeul bij de waterval van Martinet