Waarom liggen er geen grotere plaatsen in de kom van de Sandr van Wolfheze tussen de stuwwal van Apeldoorn, de stuwwal van Arnhem, de stuwwal van Ede en de stuwwal van Reemst? En wel drie vliegvelden?

Meer lezen over dit gebied? Lees de Sandr van Wolfheze over de kom tussen de vier stuwwallen van Ede, Reemst, Apeldoorn en Arnhem, met daarin het Renkums Beekdal en het Heelsums Beekdal. Of lees de Serie Het Merckendal waarin we alle zijdalen in het stroomgebied van de Heelsumsebeek in detail bekijken. 

Om deze vraag te beantwoorden, moeten we terug naar de basis: geologie, geomorfologie en bodemkunde.

De drie kaarten laten dezelfde rechthoek zien (linksboven en rechtsonder zie je een blauw puntje; mijn merkteken).

Geologische kaart

Op de geologische kaart zien we vier kleuren in de Sandr van Wolfheze. Van jong naar oud:

  • Bovenop liggen lichtgele vlekken en banen: Formatie van Boxtel uit het Weichselien of Holoceen.
  • Het mosterdgeel bij Ginkel is dekzand, ook Formatie van Boxtel.
  • Donker roze is Formatie van Drente. Dat is materiaal uit het Saalien en kan van alles zijn. Hier is het fluvioglaciaal, laagpakket van Schaarsbergen.
  • Licht roze is gestuwd Pleistoceen. Merk op dat geologen stuwwallen niet als eenheid onderscheiden. Geologen kijken naar wat er ligt, en geven verder aan of dat gebroken is of gestuwd bijvoorbeeld. Hier ligt pleistoceen riviermateriaal van de Rijn en Maas van voor het Saalien, en dat is gestuwd. De dunne lijn in dit vlak is de rand tot waar het ijs is gekomen (vanaf de buitenrand naar binnen).

Hoe verleidelijk het ook is om over de rand naar buiten te kijken, dat ga ik niet doen. Het is al ingewikkeld genoeg.

Als we van de geologische kaart een doorsnede maken, krijgen we – raar – andere kleuren te zien. Stuwwallen zijn hier grijs DT, Formatie van Drente is oranje DR, en de Formatie van Boxtel is felgeel (bovenop Drente tegen de stuwwallen aan).

Welk verhaal vertelt de geologische kaart en doorsnede? Het grote verhaal: er ligt oud materiaal van de Rijn en de Maas, dat is in een ijstijd gestuwd en tussen deze heuvels ligt fluvioglaciaal materiaal: zand en grind. Daaroverheen ligt zand, afkomstig uit een droge winderige tijd in het Weichselien of Holoceen.

Geomorfologische kaart

Op de geomorfologische kaart zien we dezelfde vorm terug. Geomorfologen kijken naar vormen en niet naar lagen; het gemakkelijkst is het verhaal te vertellen als we nu wel van oud naar jong kijken.

  • Rood is stuwwal.
  • Roze is sandr.
  • In de sandr liggen twee donkergroene stroomgebieden, in het westen het stroomgebied van de Renkumsebeek en in het oosten het Merckendal, het stroomgebied van de Heelsumsebeek.
  • Naar beneden toe loopt de donkergroene lijn uit in een smalle strook felgroen: de watervoerende delen van de beekdalen van de Heelsumsebeek en Renkumsebeek.
  • Over dit alles heen liggen lichtgele vlekken en banden: duinen en stuifzand.
  • Niet ingevulde vlakken zijn door de mens verknutseld, zwarte banen zijn ingegraven (spoor)wegen.

Geomorfologen vertellen het verhaal gedetailleerder dan geologen. Eens was er ijs. Rondom het ijs werd het land opgeperst doordat het ijs wegzakte in de ondergrond. Smeltwater sleet dalen uit door de stuwwal. Het smelten van het ijs veroorzaakte grote modderstromen vol zand, grind en stenen en het dal tussen de stuwwallen vulde zich op in lagen met zand en stenen. In de laatste ijstijd ontstonden droogdalen door het smelten van sneeuw op bevroren ondergrond – maar ik weerspreek het idee dat de dalen op de sandr droogdalen zijn, want ze zijn ontstaan in het Saalien gelijk met het Renkums en Heelsums Beekdal en de sandr. In het Weichselien legden zandstormen een laag dekzand neer. In het Holoceen, mede veroorzaakt door mensen, ontstonden zandverstuivingen en duinen. Uiteindelijk knutselden wij op veel plekken alles kapot.

Bodemkaart

Bodemkundigen geven ons altijd meer hoofdbrekens, want zij delen onze Nederlandse bodems vergaand in en gebruiken lastig te onthouden namen. Wij willen bodems herkennen vanaf onze fiets, zonder boor en zonder zoutzuur.

  • roze: Podzolgronden: uitgespoelde arme bodems (heidevelden, naaldbossen)
  • bruin: Eerdgronden : bodems vol humus (eeuwenlang bemeste akkers)
  • geel: Vaaggronden: jonge bodems zonder bodemvorming (zandverstuivingen, uiterwaarden)

Welk verhaal vertellen de bodems? Het is een droog zanderig gebied met vooral oude verweerde zandgronden onder bos en heide, die in kleine enclaves eeuwenlang bemest zijn om als akkers gebruikt te kunnen worden. Verspreid door het gebied liggen zandverstuivingen en langs de Rijn liggen uiterwaarden.

Het Wolfhezerveld op de foto – vlak, kaal, droog – typisch sandr:

Wat leren we van de analyse? De sandr is een vlak gebied met een stevige zanderige ondergrond vol grind. Waar het niet bedekt is door stuifzand, is het ideaal voor vliegvelden. Water zakt weg in de ondergrond en de grond is onvruchtbaar: het gebied is niet geschikt voor landbouw.

Conclusie

Het gebied is vlak en stevig: drie vliegvelden dus: Terlet, Deelen en vroeger was er een vliegveld bij Ede.

Het gebied is droog en de grond is onvruchtbaar: er liggen geen grotere plaatsen in het gebied. De grootste zijn Wolfheze en Schaarsbergen, maar dat zijn nieuwe plaatsen, groot geworden toen grond en water geen beslissende factoren meer waren. Renkum en Heelsum liggen bij het vruchtbare beekdal en de Rijn. Het oude verdwenen Wolfhees lag ook in het Heelsums beekdal. Oude woonplekken op de sandr, waar toch wat water en vruchtbare grond te vinden was, waren hoogstens voor enkele boerderijen geschikt: Mossel, Ginkel, Reemst, Deelen, Terlet.

Alle afbeeldingen

  • sandr van Wolfheze op het AHN
  • stuwwallen
  • Heelsums beekdal op het ahn
  • Wolfhezerveld
  • Wolfhezerveld
  • detail kaart Sgrooten