Het Heelsums Beekdal is de brede natte dalbodem waarin drie molenbeken stromen.

Nou is hier al heel veel over geschreven en gepubliceerd, onder andere door Ruud Schaafsma in zijn fantastische boek over het Renkumse en Heelsumse beekdal. Dat ga ik hier niet overtypen.

Wat zien wij in deze serie als het Heelsums Beekdal en wat is dan het verschil met het Merckendal? Wij gebruiken de oude vergeten veldnaam Merckendal voor het droge deel, en Heelsums Beekdal voor het natte deel. Met Merckendal bedoelen we ook het hele stroomgebied van de Heelsumsebeek.

We kijken vandaag uitsluitend naar de dalbodem, want de zijdalen hadden we immers al bekeken.

Het natte dal begint even ten noorden van de spoorweg. Niet dat het daar nat is, maar daar laten de geomorfologen de beekdalbodem beginnen – zie de geomorfologische kaart verderop. Onder de dam van de spoorweg door ligt een duiker bijna onzichtbaar tegen de helling, dus Rijkswaterstaat verwachtte daar in 1850 nog wel eens water, en bij het verbreden van het spoor is de duiker mee-verbreed. De plek kun je herkennen aan gasleidingspaaltjes: blijkbaar hebben ze de duiker gebruikt om leidingen doorheen te trekken.

Oversteekplekken

Inmiddels zijn er drie oversteekplekken:

De meest zuidelijke is bij Klein Vosdal, het paardenpension even ten noorden van de N225, maar daar ben ik heen gefietst en die oversteek is voor mij onbereikbaar. Hij ligt er al 400 jaar te liggen – nou, het is nu een betonnen plaat.

2022

De molenbeekstelsels

In het beekdal hebben 10 watermolens gestaan. In principe heeft elke molen zijn eigen sprengenstelsel, maar combineren kan ook: wat er beneden zijn molen met het water gebeurt, interesseert een molenaar niet. Molens konden boven elkaar staan en zo gebruik maken van hetzelfde molengotenstelsel, ze konden ook naast elkaar staan waarbij elke molen zijn eigen gotenstelsel had. Deze gotenstelsels konden aan weerszijden van het dal liggen of zelfs boven elkaar tegen dezelfde helling. In het Renkums Beekdal vinden we dit perfect terug volgens het leerboek. Laten we eens kijken wat we hiervan zien in ons Heelsums Beekdal.

Schaafsma onderscheidt in dit beekdal vier sprengenstelsels: de Wolfhezerbeek, de Papiermolenbeek, de Rondeelbeek en de Heelsumsebeek. Alle vier hebben meerdere sprengkoppen die leiden naar een molengoot van een molen. Beneden de molen stroomt het water vanzelf terug in de natuurlijke beek op het laagste punt van het beekdal, of een molenaar met een meer benedenstroomse molen kan het opvangen en verder opleiden in zijn molengoot.

Op de volgende AHN-uitsnede de gegraven molengoten met de bijbehorende molens – een tekening van mij, zo goed mogelijk ontleend aan het boek van Schaafsma.

Wat ik al puzzelende uitvogel is het volgende (ik ga van boven naar beneden):

  • blauw = Papiermolenbeek = de papiermolens van Kabeljauw.
  • wit = Wolfhezerbeek = de molen van Wolfhees; dat zal een korenmolen geweest zijn.
  • geel = Rondeelbeek = de gracht bij het Rondeel (volgens mij was dat het weekendhuis van Stratius, zie Anno 1553)
  • oranje = Heelsumsebeek = de diverse molens bij Heelsum. Maar hier is het erg vergraven vanwege het fabrieksterrein van Schut, en ik kan niet zien hoe het oorspronkelijk zat. Maar het is wel duidelijk dat de Heelsumse molenaars zoveel mogelijk water opleidden naar elke molen.

Het oranje stelsel begint met een grote dikke spreng in de heide met een prachtige sprengkop: de Heelsumsebeek. Maria Vos heeft daar een tekening van gemaakt, en op die plek heb ik een foto gemaakt. Dit komt uit ons boek over Doorwerth in 1847.

Dit oranje stelsel is een kronkelig geheel met kleine zijsprengen. Ik vermoed dat het het oudste sprengenstelsel is, en dat het ligt in de oorspronkelijke beek. Dit is het molenbeekstelsel van Heelsum. Het witte stelsel op mijn tekening is het molenbeekstelsel van Wolfhees. Het blauwe stelsel voor de papiermolens van Kabeljauw zal jonger zijn en moest veel hoger doorgraven om voldoende water op te vangen. En die rode zijn nog jonger.

Geen opgeleide beek maar wel een wijer

We hebben geleerd dat de molenaar om voldoende hoogte te krijgen voor zijn bovenslagmolen – de normale molen in de kleine snelstromende Veluwse beken – de molengoot langs de helling hoog hield, zo hoog en zo horizontaal mogelijk. Dit zien we niet in het Heelsums Beekdal.

Dit doet mij vermoeden dat het onderslagmolens waren. Kan ik de oplossing vinden op de kaart van Van Call? Jazeker! Echt die kaart is zo geweldig.

Van Call tekent een grote gezamenlijke molenwijer en daaronder een dam. De twee molens staan daar onder – elk met een eigen sluis uiteraard. Het water werd over de dam geleid en viel op het molenrad – bij de rechter Kenep mol (= hennepmolen) is dat duidelijk zichtbaar, bij de linker maelmolen staat het rad achter het huis. Dus het waren bovenslagmolens, maar in plaats van een opgeleide beek hadden ze een grote wijer gemaakt met een dam en daaronder de molens. Het dal was blijkbaar niet geschikt voor een opgeleide goot en dit werkte ook.

Toch lijkt het of de benedenste deel van de Heelsumsebeek, tussen het wandelpad en het weiland vlak achter Schut, wel degelijk aangelegd is als opgeleide beek. Op topotijdreis-1892 ligt dit deel tegen de helling aan. Het kan ook zijn dat de boer de beek opzij heeft gelegd zodat hij een handiger te bewerken landbouwveld kreeg. Immers, als molenaars water verzamelen in een wijer heeft een opgeleide goot geen toegevoegde waarde.

Kruising van beken

Vroeger lag er beneden in het Heelsumse broek een kruising van de Papiermolenbeek en de Heelsumsebeek. Dat heette de Kruisbeek. Ik fiets erheen maar vind er niets van terug tenzij met veel wensdenken.

Waarom zouden ze de kruising hebben gemaakt? Men deed niets voor niets.

Ik vind zelf het stelsel in het Renkums Beekdal net wat perfecter en zou dat willen voordragen als Unicef werelderfgoed. Dit stelsel is iets minder compleet omdat er geen opgeleide goten zijn, en het is oneigenlijk jammer dat het bij de Kabeljauw zo verknald is.

Zwarte Kolk

Als laatste voor vandaag de Zwarte Kolk. Ten zuiden van de spoorweg moet vroeger een waterkolk gelegen hebben die op meerdere oude kaarten staat. Waarschijnlijk werd hij gebruikt voor het drenken en wassen van schapen. De kolk is weg, de plek is wel herkenbaar. Hij staat bijvoorbeeld op deze kaart uit 1700 van Passavante van het Coenenbos, even ten noordwesten van de Swarte Kolckse hegge zien we een rondje met daarbij Swarte Colck geschreven.

Langs de molenbeken

Genoeg voor vandaag over dit prachtige beekdal. We gaan naar buiten en lopen de beken af.

Vegetatie

In de dalbodem komen we enkele vegetatieklassen tegen die we niet eerder zijn tegengekomen (misschien in Warnsborn en Lichtenbeek) – teken dat we niet meer op de sandr zitten:

r5 Fonteinkruidenklasse

r8 Riet-klasse

r9 Klasse van de kleine zeggen

Dit zijn natte velden vol orchissen in het voorjaar. Misschien kunnen we dit in de Jufferswaard vinden, maar dat kunnen we komend voorjaar pas bekijken.

r33 Klasse van de natte strooiselruigten

r40 Klasse van de doornstruwelen

Premium abonnees lezen hier verder

Meer lezen over dit gebied? Lees de Sandr van Wolfheze over de kom tussen de vier stuwwallen van Ede, Reemst, Apeldoorn en Arnhem, met daarin het Renkums Beekdal en het Heelsums Beekdal. Of lees de Serie Het Merckendal waarin we alle zijdalen in het stroomgebied van de Heelsumsebeek in detail bekijken. 

alle afbeeldingen

  • Kaart van het Renkumse Veld van Jan van Call, 1656
  • kaart Doorwerth, Bernard Kempinck
  • Wolfheze in 1553, Gielis
  • Heelsums beekdal