Op twee plekken vermoeden ijstijdgeologen met vrij grote zekerheid dat de stuwwal zich verplaatst heeft: bij Oldenzaal en bij Arnhem. We tijdreizen onszelf naar het Saalien 120.000 jaar geleden en gaan op excursie.
Oldenzaal
Eerst naar Oldenzaal. We zitten in het Saalien, de voorlaatste ijstijd toen noord Nederland was bedekt met ijs. Laten we, Neanderthalers, bij Oldenzaal gaan zitten bovenop de Tankenberg. Maar vanaf de Kuiperberg bij Ootmarsum hebben we ook een mooi uitzicht. Voor ons bij Nordhorn en Denekamp ligt een honderden meters dik ijsveld. We horen het kraken en we zien het groeien. Maar het kan geen kant op. Wij zitten op de Hezinger Stuwwal die het ijs zelf heeft opgeperst; niet meer dan een rimpeling aan de voet van het ijs. De twee stukken van de stuwwal zitten dan nog aan elkaar: we kunnen over de bergkam doorlopen van Ootmarsum naar Oldenzaal. In het zuiden en oosten van het ijsveld liggen de harde gesteenten van Bentheim: daar kan het ijs echt geen meter verder. Het komt onze kant op en begint te duwen. Stapje voor stapje duwt het ijs de stuwwal waar wij bovenop zitten, naar achteren en er ontstaat een gat tussen Oldenzaal en Ootmarsum, de Rossummerpoort.

Misschien dat er achter wel een bevroren moeras lag waarover de stuwwal gemakkelijk gleed.

Klinkt logisch. Wij Neanderthalers, kijken onze ogen uit: de hele wereld verschuift voor onze ogen.
Maar waar gleed het materiaal heen? Misschien naar Tubbergen, misschien naar Delden, misschien wel helemaal door naar Neede, maar vrijwel zeker ook naar Lonneker. Zoiets:

Vandaar dat het materiaal bij Lonneker door elkaar gehusseld is: een stuwwal bestaat gewoonlijk uit een grote golfplaat, maar de Lonnekerberg niet. Meer over de rare bobbelige Lonnekerberg.
Arnhem
Dan gaan we naar Arnhem, de tweede plek waar geologen vermoeden dat een stuwwal zich heeft verplaatst. Dit is een nog veel groter verhaal.

We gaan weer terug naar het Saalien. Laten we, Neanderthalers in dit koude tijdperk, gaan zitten op een heuvelrug. Deze ligt tegen een gigantisch ijsveld aan. De hele IJsselvallei ligt vol met ijs, honderden meters dik, dat hoog uittorent over de rug waar wij bovenop zitten, dat eigenlijk maar rimpeltjes zijn aan de voet van dit ijsveld. We zitten ergens halverwege tussen Arnhem en Nijmegen op deze rug en kijken naar het ijs.
En dan begint onze heuvelrug te schuiven. Als een deur die open gaat. Het gat wordt groter en groter totdat de hele rug tussen Dieren en Nijmegen zich heeft verplaatst.
Zou het echt zo gegaan zijn? Zouden Neanderthalers zich verwonderd hebben over de verandering in hun wereld, ijsvelden die heuvelruggen opzij schuiven? Zouden ze bij het vuur gepraat hebben over de veranderingen in hun wereld? Opa die het heeft over vroeger, toen hij door kon lopen terwijl er nu een bres is?
Het is een hypothese. Wat ervoor pleit is de logica dat die twee stuwwallen van Arnhem en Nijmegen bij elkaar horen terwijl er niets, nog geen plukje, onder de Betuwe is teruggevonden. En wat er ook voor pleit is de afwijkende vormen rond de Zijpenberg bij Rheden, na de Tafelberg het hoogste punt van de Veluwe. Het lijkt inderdaad dat deze berg zo hoog is geworden omdat hij in de verdrukking kwam.

Dus terwijl het ijs verder oprukte de Betuwe in, schoof het de stuwwal die in de weg lag even opzij.
Mooi verhaal? Voor indrukwekkende verhalen hoef je echt niet naar Zwitserland.

Interessante hypothesen. Maar zou de (mogelijk) verschoven stuwwal Dieren-Doorwerth dan ipv aan Nijmegen ook aan Zeddan kunnen hebben vastgezeten. Bij Zeddam zou dan ook de (oorspronkelijk) noordelijke helft naar het zuiden zijn omgeflapt. In welke literatuur word staan deze hypothesen beschreven?
Wat leuk dat je meedenkt! De theorie van de verschoven stuwwallen heb ik niet zelf bedacht, maar ik kan even niet terugvinden welk artikel daarover ging. Ik denk van Pierik. Zeddam: in elk geval zou jouw hypothese een antwoord bieden voor dat plukje bij Montferland. Maar hoe past Nijmegen in jouw hypothese?
Dankje! Ja mogelijk zijn er dan twee ijstongen nodig. Of anders gezegd niet één draaideur beweging, maar twee. Bij de eerste bleef Zeddam als ‘plukje’ achter en stroomde de ijstong naar het zuid-zuidwesten. Daarbij stuwde de doorgebroken ijstong ten zuiden van de verschoven stuwwal ook het ‘plukje’ Nijmegen op. De tweede beweging ontstond door een extra ijsstroom naar het west-zuidwesten (vanuit dezelfde hoofdstroom). Daarbij verschoof de verschoven stuwwal nog een keer, naar de huidige plek Doorwerth-Dieren. Daarbij bleef het ‘plukje’ Nijmegen achter. Nijmegen zou dan precies op de splitsing van de ZZW- en WZW-stroom hebben gelegen.
Dit zou inderdaad wel die knik onderaan de Veluwe verklaren.