In de uiterwaarden boven Wijk bij Duurstede ligt recreatiegebied Lunenburgsewaard met een lange en boeiende geschiedenis. Lees en kijk met me mee.

Dit is bocht 18 op onze Rijncruise van Arnhem naar Vianen.
De Rijn is hier sinds de 12de eeuw onherkenbaar veranderd: eerst de avulsie van de Lek, dan de groei van de grote Roodvoetmeander, dan de afsluiting daarvan en vervolgens het graven van een volledig nieuwe geul. Lees met me mee over dit boeiende stukje Rijn.
Premium inhoud
Premium abonnees lezen hier over de werkbezoeken in de 17de eeuw.
12de eeuw De Avulsie van de Lek
Wijk ligt in een splitsingspunt van de Rijn. De Oude Rijn (Kromme Rijn) stroomt hier naar Katwijk, de nieuwe Rijn (Lek) stroomt hier verder naar Rotterdam. De Oude Rijn is geleidelijk aan door de Rijn verlaten en vervolgens is hij afgedamd. Maar waarom koos de Rijn een nieuwe loop naar het zuidwesten? Je denkt vast dat ik hallucineer, maar het is echt waar: men denkt dat dit komt door de Peelrandbreuk. De westelijke schol hiervan zakt geleidelijk weg, waardoor de Rijn de voorkeur kreeg voor die lagere loop.
Dit is niet geologisch lang geleden gebeurd, want Katwijk, Leiden en Alphen aan de Rijn hebben ook als steden aan die Rijn gelegen. Maar in een koude winter brak ten zuiden van Wijk bij Duurstede (dat aan de Rijn lag) de oeverwal of de dijk als die er al lag, door en ontstond er een nevenstroompje. Dat gebeurt wel vaker, maar dit nevenstroompje werd steeds belangrijker en uiteindelijk nam het in de loop van tientallen tot honderd jaar de hoofdstroom van de Rijn over. Maar het mocht nooit Rijn heten: de Lek dus.
De bedding van de Oude Rijn werd veel te groot voor de hoeveelheid water die hij moest verwerken. Het gevolg was dat hij verzandde en sterk ging meanderen. Met recht kreeg hij de naam Kromme Rijn. Een onverwacht neveneffect bij dit verschijnsel is dat de gemiddelde waterstand hoger wordt: iets met zandbanken en nog meer zandbanken en water wat daar tussendoor moet. De rivier komt dus steeds hoger op zijn stroomrug te liggen boven het omliggende land.
Uiteindelijk hebben ze de Rijn in de 12de eeuw afgedamd bij Wijk bij Duurstede, dat sindsdien gewoon de andere kant op kijkt. Zo’n verlegging van de loop heet een avulsie, en dat vraagt een beetje uitleg.
Een avulsie is het verlaten van een stroomgeul en vervangen door een nieuwe. Dit komt anastomoserende rivieren regelmatig voor; in feite is dit de reden waarom een rivier behoort tot het type van de anastomoserende rivieren.
Ik vind het woord anastomoseren zo lelijk dat ik een nieuwe term introduceer: waardvormende rivieren. Deze rivieren vormen grote stabiele eilanden tussen de diverse riverstromen, die Nederlanders vanouds waarden noemen. Voorbeelden: Bommelerwaard, Lopikerwaard, Hoeksewaard, Tielsewaard, en er zijn er nog veel meer. Dit zijn geen buitendijkse uiterwaarden, maar eilanden die liggen tussen diverse stromen van onze grote waardvormende rivieren.
Een avulsie begint met een dijkdoorbraak of oeverwaldoorbraak. Het idee is dat in de winter als de hele stroomgeul vol water staat, er op een zwakke plek een doorbraak kan plaats vinden door een oeverwal of een dijk. Als het water in het voorjaar zakt, zal in de meeste gevallen de rivier terug gaan in zijn oude loop. De winter erop zal (tenzij de dijk wordt gerepareerd) op diezelfde plek weer een doorbraak plaatsvinden. Dit kan zo een tiental jaren doorgaan terwijl de hoofdgeul van de rivier in de zomer dezelfde blijft. Maar als er bij de doorbraak een gunstigere (steilere) loop is ontstaan, dan kan de rivier dat als nieuwe loop houden, en verzandt geleidelijk de oude loop.
We hebben eerder op onze Rijncruise vanaf Arnhem avulsies gezien, namelijk bij Opheusden en Kesteren. Maar die avulsies waren klein, de nieuwe loop sneed slechts een kronkelwaard af. Hier bij Wijk bij Duurstede is een compleet nieuwe loop ontstaan met een andere monding in de Noordzee. We kennen nog twee van die grote avulsies van de Rijn: de Waal en de IJssel.

Een avulsie kan op twee manieren beginnen: van boven of van beneden. Als de avulsie aan de bovenkant begint, is dat bij een doorbraak van de dijk of oeverwal. Meestal heeft zo’n doorbraak geen langdurig effect, en ontstaat niet meer dan een crevasse die na verloop van een aantal jaren weer verdwijnt. De oude loop is dan gunstiger voor de rivier dan de nieuwe. Wel succesvol kan dit zijn als de nieuwe geul verderop een bestaande beek aansnijdt en dan gebruik maakt van dit nieuwe beekdal. Dit lijkt op de tweede manier. De tweede manier, vanaf beneden heeft een grote kans van slagen: een beek die niks met de rivier te maken heeft graaft zich achterwaarts in en breidt zich uit. Als hierdoor de dijk of oeverwal wordt ondergraven, kan het goed zijn dat de rivier bij extra hoog water op die plek doorbreekt en de beek de nieuwe rivierloop wordt.
Als een rivier zich splitst in twee takken, wint altijd een van de twee takken. De andere is tot verzanden gedoemd. Dat zou ook met de Waal – Rijn en met de Rijn – IJssel zo zijn als wij daar niet heel hard aan werken om verzanden van eentje te voorkomen. In een natuurlijk proces wisselen de twee monden zich af in de loop van honderden jaren. De loop die in gebruik is, verzandt geleidelijk, totdat de tweede mond weer gunstiger wordt. In de loop van de komende honderden jaren verzandt die weer geleidelijk, en keert tenslotte de rivier weer terug naar zijn eerdere loop. Over dit proces van stuivertje wisselen bij de Rijn – Waal gaat het fantastische proefschrift van de inmiddels overleden Willem Overmars.
Dit had ook bij de Rijn – Lek kunnen gebeuren, als we de Rijn niet hadden afgedamd.
1662

Isaac van Geelkercken tekent in zijn prachtige kaartenboek van de Rijn in 1662 geen Lunenburgsewaard. Wel de Staatenkrib, en hij schrijft dat deze waard van Sticht Utrecht is. In de Rijn tekent hij een middelzand, en tegenover Wijk bij Duurstede tekent hij een zandbank tegen de zuidoever. Voor de Rekenkamer van het Hof van Gelre die het Rijnbeleid in de 17de eeuw uitstippelden, was de Rijn bij Wijk bij Duurstede altijd weer een hoofdpijndossier.
1670 De 10-meterkaart
In 1670 tekent Isaac van Geelkercken op zijn 10-meterkaart de Koornwaard en Lunenburgerwaard als een geheel tot aan Wijck. Ik splits het omdat er zoveel te vertellen is.

1838 Conrad
In de tijd van Conrad is de Lunenburgerwaard (naamloos) groter dan nu want er hoort een schiereiland bij, Roodvoet. Dat schiereiland is een nieuwe kronkelwaard van een meanderende Rijn en verplaatst zich snel. Deze meander noemen we de Roodvoetmeander.
NB: de grote bocht die Van Geelkercken in 1670 tekent is niet deze Roodvoetmeander, maar de bocht die op deze uitsnede rechts half te zien is rond de Koornwaard.

Deze Roodvoetmeander is super interessant, maar dat is bocht 19. Nu alleen de smalle waard ten noorden ervan: dat is nu de Lunenburgerwaard, grotendeels recreatiegebied.
De kaart van Reuvens uit 1870
Reuvens beeldt de smalle Lunenburgerwaard op kaart 36-37. Op deze kaart zien we dat er een kanaal wordt gemaakt en de Roodvoetmeander wordt afgesneden. Meer daarover in bocht 19.


Op blad 37 tekent hij bij Wijk bij Duurstede een houten peilschaal, de inundatiesluis in de Kromme Rijn, een dijkmagazijn, en langs de kade bij de stad een stenen peilschaal en een houten peilschaal bij een sluis. De kribben hier zijn in zijn tijd al allemaal vernieuwd en liggen met een rechte hoek op de stroomlijn. Die liggen er nog, net als de inundatiesluis en de stenen peilschaal.
Op mijn fietstochten zoek ik dit allemaal op.
Fietsen en lopen
De grens tussen Amerongen en Wijk bij Duurstede ligt tussen de staart van de Koornwaard en de kop van de Lunenburgerwaard. Reuvens tekent hier een dijkmagazijn, maar dat is inmiddels verdwenen. Op de dijk wel een mooie grenspaal. Is het je wel eens opgevallen dat de tekst op grenspalen zo staat dat je al lezend kijkt in de juiste richting? Dus als je Wijk bij Duurstede leest, dan zie je Wijk bij Duurstede voor je. ‘Hier begint Wijk bij Duurstede’. Logisch eigenlijk. Het valt me op dat de dijk ten oosten van deze paal – in Amerongen dus – de Lekdijk heet, en ten westen – in Wijk bij Duurstede – de Rijndijk. De foto’s van al dit moois zit in de diaserie.



In de Lunenburgerwaard is een mooi wandelpad gemaakt. Verder liggen er twee jachthavens.
Buitendijks bij Wijk bij Duurstede staat een schattig trafohuisje – waarover ik blijf twijfelen of het niet een peilschaalhuisje is geweest: ten eerste ligt het buitendijks, ten tweede heb ik nooit een trafohuisje van dit model gezien (er bestaan maar een paar modellen) en ten derde hangt er geen geel schildje met een bliksemschicht op de deur. Voor een peilschaalhuisje staat het wel op een handige plek – naast de sluis van de Kromme Rijn. Maar goed, het waterschap zal het zelf wel beter weten.

Daarna steek ik de Kromme Rijn over en kom in Wijk bij Duurstede.
Op een van de gemalen zit een sticker met uitleg van een vislift.





In de waterpoort vind ik de peilschaal die Reuvens intekent, een peilsteen en een mooie herinneringssteen. In de stad vind ik meerdere hoefslagpalen die als afscheiding tussen eigen- en openbaar terrein zijn gebruikt.






Meer over het beheer van de Rijn in de 17de eeuw.
Tijd om de zuidoever weer op te zoeken: we gaan naar de uiterwaarden bij Rijswijk.


