Lauwerszijl, Munnekezijl, Pieterzijl: drie plaatsen die eindigen op -zijl langs de rivier de Lauwers, de grensrivier tussen Friesland en Groningen, en naamgever van het Lauwersmeer. Hoe zit dit? Lees met me mee.
Wow, dit wordt best een ingewikkeld verhaal… Laat ik beginnen met heel veel weg te laten.
Eerst was er de Lauwers, een rivier die hoogveenkussens afwaterde op de Waddenzee. De benedenloop van de rivier groeide uit tot de Lauwerszee, maar dat is een ander verhaal.
Ik heb afgelopen twee weken gewerkt aan mijn fietsgids Fietsen rond het Lauwersmeer, die alweer 4 jaar lag te liggen. En die na een heerlijke hete kampeer- en fietsweek bij Zoutkamp nu eindelijk rijp was om af te maken. Premium abonnees kunnen sinds gisteren de pdf downloaden. Als je een eerdere versie hebt gedownload, raad ik je aan die te verwijderen en te vervangen door deze. Vanmorgen heb ik om 10 uur op het knopje 'publiceren' gedrukt. Altijd weer spannend. Onderaan dit artikel meer informatie.

Terug naar de zijlen in de Lauwers.

We beginnen 3000 jaar geleden. Langs de Waddenzee slibben kwelders op die boeren leren in te polderen. Rond de kwelder leggen ze een lage zomerdijk. Bij hoge vloed stroomt de kwelder vol; dat is fijn, want als daarna het water zakt, blijft slib achter het dijkje haken, en zo slibt de kwelder verder op. Ze gebruiken die als weiland, maar als hij hoger wordt, wordt hij ook droger, en een ondernemende boer gaat er in een zeker jaar zomergewassen op telen. In 2026 zou de oogst gelukt zijn, maar het blijft een risico natuurlijk.
Kwelders inpolderen is niet zo moeilijk tenzij je ook in de winter droge voeten wilt hebben – dat wilden de boeren niet. Wat wel hogere waterbouwkunde is, is het afsluiten van de prielen tussen de kwelders. De Lauwers stroomt uit in zo’n priel.
Rond 1300 beheerst men ook dat vak.
Prielen = kweldergeulen die als tentakels van de Waddenzee ver het land in gaan. Bij vloed zijn ze nat, bij eb droog. Het water in een priel is zout.

Op een dag zit een stel boeren bij elkaar en iemand stelt voor om de prielen tussen kwelderpolders af te dammen, dus om een zeedijk te maken. Sommigen pruttelen wat, anderen zijn meteen voor. Men overlegt, poldert, bespreekt de mitsen en maren, en dan gaat men aan de slag. Men verbindt bestaande kwelderdijken met elkaar en damt prielen af. Al doende leert men; het ging vast niet in een keer overal goed.
Men begrijpt dat prielen die uitsluitend tentakels van wadgeulen zijn, afgedamd kunnen worden. Dat in prielen die ook zoet water van het vasteland vervoeren een pomp (= duiker met klep) gelegd moet worden. Maar daar kan geen schip door. Vissers trokken hun boten op de kwelder tot vlak onder de nieuwe dijk.
De Lauwers was een belangrijke rivier voor scheepvaart. Dus een pomp voldeed niet; een zijl moest er komen. Die techniek was toen gloednieuw.
Een zijl is geen schutsluis, maar een enkele keersluis met een stel puntdeuren richting zee. Bij vloed drukt het zoute water de deuren dicht, bij eb drukt het zoete water de deuren open. Schepen kunnen er met eb doorheen, met vloed moeten ze wachten. Boeren willen namelijk geen zout water binnendijks in de polders. En willen wel het zoete water kwijt.
De dijk die zo ontstaat noemen we De Oude Zeedijk. Op mijn tekening is die roze. Indrukwekkend.

Maar dan.
Als de zeedijk er ligt, gaan de boeren weer buitendijks het opslibben van kwelders stimuleren. Tot…. het weer kriebelt. Zullen we? Of zullen we nog niet en wachten we nog even totdat hij verder opslibt?
Het leggen van een zeedijk, die het ook in de winter houdt, is een grote onderneming maar ook een fascinerende uitdaging. Ik kan me voorstellen dat elke generatie boeren dat een keer in hun leven wilde doen. Zo ook de boeren van wie hun grootvader had meegeholpen bij het leggen van De Oude Zeedijk. In 1420 is het zo ver: ze leggen een nieuwe zeedijk, de Soensterdijk. In de Lauwers bouwt men een nieuwe zijl, en daar ontstaat Pieterzijl.

Ze gaan weer buitendijks kwelders laten opslibben en honderd jaar later begint het weer te kriebelen. In 1529 leggen ze een nieuwe zeedijk, de Skalderdijk. De zijl bij Pieterzijl breken ze af en verhuizen ze naar de Skalderdijk. Daar bouwen ze hem weer op en daar ontstaat Munnekezijl.

In de 19de eeuw poldert men weer kwelders in en verlegt de Lauwers. Bij de nieuwe monding van de Lauwers bouwt men een nieuwe zijl, en daar ontstaat Lauwerzijl.

Tenslotte legt men in 1879 de Nittersdijk – maar dat doen niet de boeren maar Rijkswaterstaat, en daarin bouwt men weer een nieuwe zijl in de Lauwers, de Friesche Sluis.

Op de volgende tekening in roze de Oude Zeedijk en in geel jongere zeedijken. Het gaat nu om de drie gekleurde kwelderpolders. Rond de grijze polder ligt de Soensterdijk met het zijl in Pieterzijl. Rond de lavendelkleurige polder ligt de Skalderdijk met het zijl in Munnekezijl. Dan het interimzijl bij Lauwerzijl. Beneden de blauwe polder ligt de Nittersdijk met het zijl de Friesche Sluis bij Zoutkamp. Tenslotte de zwarte stip: in 1969 legt Rijkswaterstaat de Lauwersdam met daarin de Cleveringsluizen.

En nu? Bij Visvliet, Pieterzijl en Lauwerzijl liggen ter plekke van de voormalige zijlen ophaalbruggen in de Lauwers. De zijl bij Munnekezijl functioneert nog, net als de Friesche sluis bij de Nittersdijk. De Cleveringsluizen doen het uiteraard ook nog.


Het boek
Dit en vele andere verhalen lezen we in mijn fietsboek Fietsen rond het Lauwersmeer.
Premium abonnees
de gids downloaden
Alle afbeeldingen
Ontdek meer van landschap lopen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Hallo Mathilde, wat mooi om het landschap eens van een andere kant te bekijken, dankjewel!