De uiterwaarden bij Wageningen zijn door stom geluk bewaard en heerlijk natuurgebied. Het had anders kunnen lopen want in 1970 wou ook Wageningen mee in de vaart der volkeren.

Op de routekaart van onze Rijncruise van Arnhem naar Vianen kijken we naar 8.

Premium inhoud

Premium abonnees lezen hier over het Rijnbeheer in de 17de eeuw.

Verder met het openbare blog.


Als bovengrens neem ik de dijk in de uiterwaard onder de Wageningse Berg, en benedenstrooms kijk ik tot aan het havenkanaal.

Oude kaarten en prenten

1560 Wageningen door Van Deventer

Van Deventer tekent in 1560 Wageningen als stop tussen de hoogtes van de Wageningse Berg en de oeverwal van de Nude. Hij laat ook een groot deel van de waard zien. Hij tekent onderaan tegen de rand van de kaart het huis van de Wolfswaard, en halverwege de stad nog een huis. Rechts tekent hij de plek van het Lexkesveer, maar niet het veer zelf. Ook tekent hij duidelijk het Wageningse gat, nu havenkanaal. En volgens mij hebben de kleuren in de omgeving betekenis en tekent hij bij de Wolfswaard een hoge gele oeverwal, en tussen die oeverwal en de stad een groene kleikom.

1613 Esveltswaard en Kempinck

Bernard Kempinck maakt in 1615 een typische Kempinck-kaart van deze driehoek: zwart wit, degelijk, saai en vol kriebeltekst.

1652 Zandbank bij Lexkesveer door Nicolaes van Geelkercken

In 1652 maakt Nicolaes van Geelkercken deze kaart van de Bovenste polder. het gaat om het eilandje in de Rijn, maar hij heeft ook zijn best gedaan op Wageningen, rechtsonder in de hoek.

Nicolaes meldt dat ze door de kil om het middelzand heen gevaren hebben. De kil is de ondiepe geul tussen de zandbank en de Wageningse polder. Waarom is het zo belangrijk dat ze om de zandbank heen konden varen? Dat had te maken met het Gelders waterrecht. Een zandbank was van degene die het land bezat waar de zandbank aan vast groeide. Maar als je er om heen kon varen, was het van niemand dus van de Rekenkamer. Dus de commissarissen moesten om zoveel mogelijk nieuwe zandbanken heen varen, dan konden ze de zandbank inpikken โ€“ dat omvaren moest wel onder strikte voorwaarden gebeuren.

En dan stokt de informatie over de zandbank bij het veer. Isaac tekent in 1670 geen zandbank. Is het weggespoeld, aangegroeid aan de noordoever of aan de zuidoever? Ik vind geen gegevens meer.

1668 Esveltswaard door Isaac van Geelkercken

In 1668 maakt Isaac van Geelkercken een prachtige kaart van de Manenswaard en de Esveltswaard. Hij noemt die laatste de Koningswaard net als op zijn 10-meterkaart. Net als Kempinck in 1614 tekent hij de twee grote kribben, waar beneden de oever diep is weggeslagen. Ik kik erop dat die teksten van de commissarissen op de kaart te volgen zijn: twee grote kribben en afbrekende daar beneden. Het Wageningse Gat, nu ingang van de haven, tekent hij net als Kempinck bochtig. Wat echt leuk is: hij schrijft de oppervlakte erbij: de driehoek is volgens hem 13 morgen, 0 hont en 81 roeden. Ik ga rekenen.

Met 600 roeden = een morgen en een morgen = 0,86 hectare, kom ik op 11,3 hectare. Zoiets dus:

Waarom is de Esveltswaard zoโ€™n zorgenkindje? Waarom lukt het niet die oever stabiel te krijgen ondanks alle moeite die ze erin steken? Blijkbaar wil de Rijn dit als een buitenbocht uitschuren en dat houd je met je wilgentenen hordes niet tegen.

1670 Op de 10-meterkaart

Zo tekent Isaac van Geelkercken in 1670 de bovenste polder onder Wageningen op zijn 10-meterkaart. De Esveltswaard, rechts in het driehoekje, noemt hij de Koningswaard.

Isaac tekent in de waard vier kronkelwaardgeulen plus een strang onder langs de berg die uitloopt in het havenkanaal. Dit vergt iets uitleg.

Er zijn twee typen geulen in een uiterwaard: kwelgeulen en verlande restgeulen. Nu noemen we alles strang, maar dat deden ze in de 17de eeuw niet. Een strang is een kwelgeul, verzamelt kwelwater en deponeert dat verder benedenstrooms in de rivier. Een strang is geen nevengeul en het idee dat een strang vroeger een Rijngeul is geweest hoeft beslist niet zo te zijn. Een strang verlandt niet, want de kwel blijft doorgaan.  Een hank is een restgeul van de Rijn. Een hank verlandt wel, want wordt niet meer gevoed door de Rijn. Beide worden nu strangen genoemd of nevengeulen of wat dan ook. Maar daar wordt het niet duidelijker van. Ik gebruik dus strang en hank.

Hmm, de strang bij Wageningen is wel supermooi, maar op de kleikaart uit 1950 staat hij niet ingetekend. Daarna pas gegraven? Ben ik er in getuind?

Het bovenstroomse deel van de waard is in 1670 van de Heer van Cronenborch. Bij het veer liggen twee huizen (nog steeds). Dan komt een stuk land van de vrouw van Eck en ook Huberts heeft een stuk langs het water. Dan een waard langs de rivier van Jacobs, Brienen en Dasselaar, meer naar binnen van Eck en Surmont. Het geheel heet de Wageningse Wtterweerden. De Bouwinge tot Wolffsweert staat er al (de Wolfswaard zelf ligt aan de overkant, zie bocht 9). De driehoekige staart noemt Isaac de Koningsweert.

1830 Goudriaan

Goudriaan tekent in zijn kaartboek uit 1830 geen strangen, wel een duiker bij de Veerweg naar het Lexkesveer. Op de plek van de Wolfswaard schrijft hij Het Kleine Veer. Tussen de stad en de havenmond tekent hij liefst vier stenen sluizen. Bij de haven tekent hij nogal wat dijken met in eentje een raar rondje.

1840 Wageningen door Couwenberg

Tussen 1826 en 1844 tekent Abraham Couwenberg Wageningen met op de achtergrond de Grebbeberg. Hij moet ergens bij het Belmonte-arboretum gezeten hebben. De vrouw en kind lopen over het kronkelige Bergpad, en beneden rijdt een kar over de Veerweg. In de waard stroomt de strang net als nu. Klik vooral op het bijschrift voor een grotere versie in het Gelders Archief van deze schitterende prent.

1846 Justine Everts

In 1846 zit Justine Everts op het terras voor het gebouw van Landmeten (toen nog geen Landmeten en nu niet meer) en kijkt uit over de waard, de Rijn en het Lexkesveer. Ook een van mijn favoriete plekken. Justine is beslist niet de beste tekenares, maar in al mijn boeken en ook op dit blog kom ik vaak bij een tekening van haar uit. Niet vanwege de bijzondere tekenkwaliteit, maar omdat ze steeds weer op een plek gaat zitten waar niemand anders zit.

1870 Reuvens

Reuvens tekent in zijn kaartboek uit 1870 hetzelfde als Goudriaan maar voegt daar nog peilstenen en peilschalen aan toe. Ook tekent hij het magazijn bij het Dijkstoelhuis.

1915 Lexkesveer

Bij de vorige bocht had ik al een paar prenten van het Lexkesveer opgevoerd waarop je vooral de zuidoever kon zien. Nu de noordoever, maar veel levert dit niet op, alleen twee prentbriefkaarten van het Lexkesveer bij Renkum, 1915-1920. Het Lexkesveer ligt maar iets dichter bij Wageningen dan bij Renkum overigens. We kijken op de eerste prent naar de noordoever.

Op deze tweede prent staan we op de noordoever; blijkbaar was hier toen een gezellig zitje.

Mijn foto in 2021 van deze plek.

1950 De haven

In deze waard ligt de haven van Wageningen: de grootste binnenhaven van de Rijn in Nederland. Die haven staat al in 1670 als haven op de kaart van Isaac van Geelkercken, maar wat zie ik in 1950: Nauwelijks gebouwen en langs het water staat Oude haven!

Zo ziet die eruit in 2021.

1960 Steenfabrieken en abattoir

1960 is niet de mooiste periode in deze waard met steenfabrieken en een abattoir:

In die tijd verzint de gemeente het uiterwaardenplan met een grote woonwijk in de uiterwaarden. De gemeente koopt de gronden op (als bouwgrond, dus hartstikke duur) en laat een plan maken vol snelwegen en flats. 20 jaar lang duren de voorbereidingen.

Tot het Rijk er een stokje voor steekt omdat inmiddels is doorgedrongen dat bouwen in de uiterwaarden een slecht idee is. De maquette van dit plan staat in museum De Casteelse Poort, en dat vind ik geweldig. Hoe anders kijken we inmiddels naar stadsontwikkeling en uiterwaarden. De uiterwaarden werden overgedaan aan Staatsbosbeheer en Wageningen werd financieel gecompenseerd. En zo wordt de uiterwaard bij Wageningen een van de mooiste in de omgeving.

Bodemkaart

Ik teken de waard in op de geologische kaart (effen groen: Rijnafzettingen), geomorfologische kaart (alles afgegraven behalve buiten de zomerdijk) en op de bodemkaart, en op die laatste zie ik iets verwachts:

Ik zie twee kleuren groen. Lichtgroen is kalkrijke poldervaaggrond, middengroen is kalkrijke ooivaaggrond. Beide dus kalkrijke vaaggrond. Kalkrijk omdat het jonge Rijnafzettingen zijn. Vaaggrond omdat het jonge gronden zijn waar nog geen bodemvorming heeft plaats gevonden. Maar wat is het verschil ook al weer tussen ooivaaggrond en poldervaaggrond? Ik vergeet dit altijd weer, maar gelukkig hebben we Wikipedia: poldervaaggrond is nat, ooivaaggrond is droog. En dat klopt met mijn eerdere verhaal dat in een waardpolder de grondwaterstand zich stelt op het benedenstroomse niveau waar de sluis zit: dat is hier in het westen. De bovenstroomse kop van de waard is het droogst, ooivaaggrond dus.

Fietsen en lopen

Genoeg voorbereid, ik ga fietsen en lopen en zoek alle duikers, sluizen, peilstenen en andere leuke waterpunten op waarbij ik de kaart van Reuvens als uitgangspunt neem.

Zoals altijd begin ik bovenstrooms. Ik bekijk de ooivaaggronden helemaal in de oostpunt van deze waard, en die liggen inderdaad zoโ€™n halve meter hoger dan de weilanden ernaast. De peilsteen in de muur bij het veerhuis is weg, maar volgens mij is het huis van na die tijd. De peilschaal is er nog wel: prachtig.

Beneden de Veerdam ligt de Bovenste polder. Dit is heerlijk wandelgebied, hoewel Staatsbosbeheer aan het struinen een eind heeft gemaakt. Ik mag vrij wandelen op de aangegeven route; geen tuigje om dus. Wat is dat, vrij wandelen op de aangegeven route? Die is overigens slechts in een richting aangegeven. De prachtige woeste waard staat inmiddels vol hekken. Echt bloedzonde, sindsdien is het oergevoel weg, het gevoel dat je als mens nog deel van de natuur kunt zijn in plaats van achter een hek ernaar te kijken.

Een grindbank. Ik betwijfel of dit grind op eigen houtje hierheen is getransporteerd, want daar is wel een grote waterkracht voor nodig die de Rijn niet meer heeft. Het water tussen mij en de grindbank is dus de kil. In de 17de eeuw zouden de commissarissen hier dus omheen willen varen, en als dat lukt, is de zandbank (grindbank) van het Hof van Gelre. Terwijl de eigenaar van het land op de oever net zo hard probeert om de bank aan zijn land aan te laten groeien, want dan mag hij het hebben. Ik ga een begrippenlijst aanleggen in een van de inleidende stukken met waterbeheertermen uit de 17de eeuw.

Afkalvende oever.

De haven van de waterscouting.

De steenfabriek.

Wat wel vrij uniek is, vermoed ik, is dat de nieuwe dure huizen langs de Veerweg bij Wageningen rekening houden met hoog water. Ze liggen buitendijks, of bij gebrek aan een dijk hier, buitenstuwwals. De onderste verdieping is geen woonverdieping, en vlak voor de huizen loopt water weg door een sleuf in de grond (erg lijkend op een douchegootje). Iedereen heeft bovendien een pomp om water weg te pompen. Bordjes tegen de muren herinneren aan hoge waterstanden. Een bewoner legt het me allemaal goed uit, en vindt het zelf duidelijk ook een fantastisch verhaal. In Google streetview teken ik in blauw de goten, geleiderails voor metalen schotten, en de schildjes die de bewoner zelf heeft aangebracht met hoge waterstanden. Indien nodig kunnen de bewoners via smalle loeisteile trappen aan de achterkant de stuwwal op. Het hoort bij de charme van de huizen.

Wilgenbos, paradijs voor mossen.

De inlaatsluis die bij hoog water gebruikt wordt. De zomerdijk overstroomt eigenlijk nooit. Het witte huis op de achtergrond staat op de terp van een voormalige steenfabriek.

De grote strang. Ik sta hier op de hoge brug (een kwakkel) die zo hoog is opdat je er onderdoor kunt schaatsen. De brug is gefinancierd door inwoners van Wageningen: je kon een plankje kopen waarmee je de brug subsidieerde. Voorheen lag er een lagere brug, en toen was het elk jaar weer hommeles tussen wandelaars en schaatsers. In deze waard ligt een prachtig oud donker walnotenbos, een unieke plek. En behalve dat bos, natuurlijk ook vele meidoorns als restanten van meidoornhagen, wilgen en populieren. Opvallend is de hoeveelheid maretak; in een boom ontwaar ik tientallen maretakken die nu vol in bloei staan. Juist het feit dat hier al sinds de 80-jaren niets meer gebeurt omdat het al zolang van Staatsbosbeheer is, maakt deze waard waardevol.

Wortelpalen

Mijn vinger boven het gemaal. In de strang een peilschaal en een stuw. En hoe heerlijk: deze stuw werkt met schotbalken. Het hoge water van februari wordt hier niet in een keer uitgelaten, zoals zou gebeuren met een schuif die je optrekt, maar geleidelijk door een balkje weg te halen. Twee jaar geleden was hier nog hoogoplopende ruzie over tussen natuurliefhebbers en de pachtboer (plus waterschap) maar blijkbaar is het nu al standaard praktijk. Prima! De peilsteen die Reuvers aangeeft kan ik niet vinden. Links zie je Wageningen achter de Grebbedijk: sinds Arnhem is dit het eerste stuk van de bandijk op de noordoever. De twee afsluitingen van de beekdalen bij Renkum daargelaten. Over de Grebbedijk meer in bocht 10.

Als ik me omdraai kijk ik naar de haven en het havenkanaal. Machtig mooi vind ik dat; het is een oorverdovend kabaal, maar ik houd van die sfeer en kom hier graag.

Ook de peilsteen in de Nudepoort bij de stad kan ik niet vinden, ook niet die bij de Witte Sluis. Nou moe, geen enkele peilsteen is er nog! Maar wel de drie peilschalen, waarvan de monumentale bij het Dijkstoelhuis tot nu toe de mooiste is op mijn Rijncruise (maar verder naar het westen zie ik er meer).

Het Dijkstoelhuis is ook schitterend overigens. Vanaf de Pabstendam lijkt het net een schuurtje, een luxe vorm van dijkmagazijn zoals Reuvens aangeeft, maar het huis is juist heel groot. Je moet echt zelf gaan kijken hoe dit in elkaar steekt.

Ik ga verder met de Driehoek.

De sluis bij de haven staat op de kaart van Reuvens en ligt er nog. Zie het dopje op de dijk waarmee de schuif (die ik als ik buk onder de dijk zie zitten)(de foto werd wat donker) opgedraaid kan worden.

Op de volgende foto alweer mijn vinger. De oever van de Driehoek bestaat uit grof grind; ik vermoed dat dit oeverbescherming is en niet natuurlijk. Dit is namelijk de oever waarover de heren commissarissen zich in de 17de eeuw zoโ€™n zorgen maken. Als daar dit grove grind had gelegen, hadden ze het vast wel gemeld en zeker ook Kempinck op zijn kaart. Maar ik weet het niet. Tegen de oever groeit een supermooie wilg.

Het havenkanaal is uiteraard niet de benedengrens van deze waard, want is een uitgediepte strang en die ligt niet langs maar in een waard. Maar toch: ik stop ermee en bewaar de andere oever voor bocht 10.

Meer lezen over de Rijn en de uiterwaarden? Lees Het Verhaal van de Rijn. Liever een boek? In mijn boek Zandbanken in de Rijn duik ik in de Rijn die in de 17de eeuw opdroogde en hoe de Rekenkamer van Gelderland daarmee omging. Te koop als paperback en als eboek.

Alle uiterwaarden op onze route die in het kader van Ruimte voor de Rivier zijn aangepakt:

  • bocht 1 Meinerswijk
  • bocht 4 Doorewaard
  • bocht 7 Schoutenwaard bij Randwijk
  • bocht 11 Middelwaard tegenover Rhenen
  • bocht 13 bij Lienden
  • bocht 14 en de kop van 15 bij Elst

We steken de Rijn weer over en gaan naar Opheusden.

Alle afbeeldingen

  • luchtfoto
  • kaart
  • kaart van Goudriaan Rijn bij Wageningen
  • Veerweg
  • Veerweg
  • Esveltswaard
  • Sluis in de Rijnhaven
  • wortelpaal
  • Wageningen in 1570
  • Esveltswaard in 1614, kempinck