landschap lopen

landschap lezen

Het Verhaal van Nederland als een tijdreis

tekening: Mathilde, 2019

Het Verhaal van Nederland gaat over het ontstaan van ons land, en creëert gevoel voor de tijdspanne van de geologie. Een tijdcapsule voert ons in een dag door de miljarden jaren lange geschiedenis. Daarbij stappen we na elke periode virtueel uit onze tijdcapsule om iets ter plekke te bekijken.

Onze reis in de tijdcapsule duurt een dag: in die dag proppen we de hele geschiedenis van 5 miljard jaar. Als toeristen die in twee weken een rondje Amerika doen. En het dan denken te kennen….

Middernacht – 21:12 Nederland in het Precambrium

Om 0 uur ’s nachts gaan we in onze tijdcapsule op weg door de tijd en we reizen de aarde achterna in een dag. Ons eerste traject door het Precambrium blijkt een lange zit: van middernacht tot 21:12 uur ’s avonds. Of in geologische woorden: De aarde is ongeveer 4,6 miljard jaar oud en de eerste 4,1 miljard jaar is het Precambrium.

NB: G zegt terecht: links van de klok had ik een tweede klok moeten tekenen. Een dag bestaat immers uit twee keer 12 uur. Die linkerklok zou egaal zwart geweest zijn: het Precambrium duurt 7/8 van de dag.

Het verhaal van het Precambrium

Het raampje is dicht – er is geen zuurstof buiten, maar als we het hadden kunnen openen, en als we onze hand naar buiten hadden kunnen steken, dan hadden we gevoeld dat de aarde tijdens deze 21 uur afkoelt en dat er een korstje op de vloeistof ontstaat als een velletje op melk. De eerste uren is dit velletje klein, breekt het steeds weer en zijn er gigantische vulkanische uitbarstingen. Maar geleidelijk wordt het velletje dikker en steviger en koelt het korstje af tot hard gesteente zoals graniet.

Precambrische gesteenten liggen in Canada, Finland, Schotland en Zweden gewoon aan het maaiveld. Dan loop je dus over gesteenten die miljarden jaar oud zijn. Het zijn granieten en andere harde gesteenten zonder roest: er was dus bijna geen zuurstof, dus ook geen leven. Pas aan het eind van het Precambrium ontstond de atmosfeer die leven mogelijk maakt. In gesteenten jonger dan 1,5 miljard jaar (we kijken niet op een miljoentje) zien we bacterieachtige levensvormen. We weten dat er ijstijden zijn geweest met ijsvelden die de hele wereld bedekten. We weten dat er land en water was, maar de grote continenten van tegenwoordig ontstonden pas aan het eind van het Precambrium.

En dan om 21:15 stopt onze tijdcapsule: hèhè, het Precambrium is voorbij. De dag is alweer bijna om, onze reis zit er voor ons gevoel alweer bijna op, en we hebben alleen nog maar door het Precambrium gereisd.

Waar kunnen we Precambrium in Nederland zien

Bij geen enkele boring onder Nederland zijn gesteenten uit het Precambrium aangeboord. Dat betekent niet dat ze er niet liggen, maar dan liggen ze vooralsnog buiten ons bereik. Ook in de landen om ons heen is niet veel Precambrium aangeboord. Het dichtstbijzijnde vaste Precambrium dat gewoon aan het maaiveld ligt, vinden we in Scandinavië en in Schotland. Maar er is wel degelijk Precambrium in Nederland, en het ligt verrassend dichtbij.

21:12 – 21:50 Nederland in het Vroeg Paleozoïcum

We stappen om 21:12 uur (= 540 miljoen jaar geleden) weer in onze tijdcapsule voor het ritje door het Vroeg Paleozoïcum, het eerste deel van het tijdperk van het oude leven. Vergeleken met de eerste lange zit door het Precambrium, is dit maar kort: 38 minuten.

COS: Cambrium, Ordovicium en Siluur

Geologen delen het Paleozoïcum op in zes periodes. De oudste drie, het Cambrium, Ordovicium en Siluur, zijn voor Nederland een pot nat en gooi ik op een hoop en noem ik COS. 

Het verhaal van het COS

Eerst reizen we door het Cambrium. Onderweg kijken we onze ogen uit: de aarde is een grote oceaan waarin een aantal kleine continenten drijven met aan de zuidpool een groot continent, Gondwana. Op het land is het eerst nog kaal en levenloos – ook geen planten, maar in het water zien we in een flits vele planten en dieren ontstaan. We noemen dat de Cambrische explosie: eerst was er niets en dan was het ineens vol leven. In het begin zien we alleen eencelligen, dan ook meercellige organismen, maar al snel zien we ook vissen zwemmen – gewervelde dieren dus. We zoeken Nederland op – nee dat is nog niet herkenbaar. We vinden het op het randje van Gondwana, het grote continent op de Zuidpool – zo groot dat het bijna de evenaar raakt. Dan zien we dat de dieren zich ineens overal tegelijk ontwikkelen tot een hogere fase en meer diversiteit, en die overgang beschouwen we als het einde van het Cambrium.

We reizen verder door het Ordovicium. In de oceaan zien we inktvissen en vissen. Op het land verschijnen de eerste planten en insecten in vochtige omgevingen. We zoeken tussen de continenten die zwerven over de oceaan Nederland op en vinden het op een continentje dat zich heeft losgescheurd van Gondwana en naar het noorden drijft. Dat continentje noemen we Avalonia.

Maar dan wordt het ijskoud in onze tijdcapsule, we zien gigantische ijskappen groeien en zeeën opdrogen. We zien vissen verdrogen. Bijna al het leven verdwijnt voor onze ogen, de helft van alle geslachten van dieren verdwijnt. Dit is het einde van het Ordovicium.

We reizen verder door het Siluur. Er is weer water en op de restanten van het oude leven zien we nieuwe soorten vissen en ander leven in het water. Op het land groeien mossen en vaatplanten, en ook zien we insecten, miljoenpoten, schorpioenen en spinnen. We vinden ons Avalonia bij de evenaar in de buurt van twee andere continentjes: Baltica en Laurentia. We blijven even kijken, want deze drie continentjes bewegen zich naar elkaar toe.

Een botsing onder de Noordzee

Deze drie continentjes drijven dicht bij elkaar als grote eilanden van het formaat Australië in de grote zee en drijven naar het noorden. Maar ze drijven ook naar elkaar toe en komen met elkaar in botsing. Het centrum van deze botsing is nu de bodem onder de Noordzee. Niet dat we daar iets van terugvinden, maar toevalligerwijs is het ook ongeveer het punt waar de grenzen van de Noordzeelanden bij elkaar komen. In rood schets ik de landsgrenzen en in geel de botszones – helaas net niet in Nederland.

Continenten die botsen? Het korstje rond het bolletje vloeibare hitte aarde stolt, koelt verder af en scheurt tot losse korstjes. Of netter: de aardkorst bestaat uit losse platen die drijven op het vloeibare magma. Dat magma stroomt op dezelfde wijze als lucht: heet magma stijgt op, koud magma zakt. Dat veroorzaakt stromingen in de aarde en de platen die erop liggen stromen gewoon mee. Altijd botsen wel ergens ter aarde platen en op de kreukelzones komen gebergten omhoog. Op dit moment worden gebergten gevormd in de Alpen en de Himalaya die nog altijd hoger worden. Op andere plekken drijven twee platen uiteen, zoals nu in het midden van de Atlantische Oceaan waar IJsland uiteen scheurt. Soms schuiven twee platen langs elkaar, zoals bij San Francisco. Of een plaat scheurt uit elkaar zoals in Oost-Afrika.

Op de drie kreukelzones van de botsing van Avalonia, Baltica en Laurentia zien we gebergten oprijzen, de Caledoniden. We zien door het raampje van onze tijdcapsule de bergen hoger en hoger worden tot ze lijken op de Himalaya. Nederland ligt eindelijk, voor het eerst, boven water. Maar terwijl we kijken, zien we dat de bergen snel wegeroderen tot helemaal niets. Weg Nederland. Sindsdien zitten de drie continentjes wel aan elkaar geplakt en we geven het geheel een naam: Euramerika of Laurussia.

Dan zien we ineens duizenden meteorieten inslaan en we voelen dat het kouder wordt en we zien weer veel leven verdwijnen. Dit is het einde van het Siluur. Het is 21:50 uur, het Vroeg Paleozoïcum is voorbij, we hebben 120 miljoen jaar gereisd in 38 minuten. In onze hand hebben we alleen nog maar zand, zwerfstenen, gevelstenen en… twee stukjes België.

21.50 – 22.38: Nederland in het Laat Paleozoïcum

Om 21:50 (= 420 miljoen jaar geleden) stappen we weer in onze tijdcapsule en reizen verder door het Laat Paleozoïcum, het Devoon, Carboon en Perm. De aarde deed hier 165 miljoen jaar over; in onze tijdcapsule duurt dit traject 48 minuten.

Het verhaal van het Devoon, Carboon en Perm

Devoon

We zitten in onze tijdcapsule en kijken naar buiten. We zien dat Laurussia met Nederland erop verder naar het noorden drijft. Van de grote Caledoniden zien we helemaal niets meer en ons stukje aarde verdwijnt weer onder water en wordt bedekt met dikke lagen kalk, zand, grind en klei.

Het mechanisme is steeds hetzelfde: land erodeert weg en het materiaal wordt door water of wind meegenomen en elders afgezet. Kalkrijk materiaal wijst op zee, zand wijst op woestijn. Dunne laagjes afgewisseld met klei en grind wijzen op rivieren en estuaria. Waar continenten zakken, kunnen kilometers dikke pakketten worden afgezet. Waar continenten stijgen overheerst erosie. Van die periodes ontbreken dus gesteentes.

We zien voor het eerst dat het land bedekt raakt met planten, waaronder de eerste vaatplanten. Ook zien we dat gewervelde vissen leren lopen op het land en evolueren tot amfibieën. Ook zien we dat in de bodems die ontstaan doordat er nu planten met wortels groeien (mossen hebben geen wortels) dieren gaan leven zoals mijten en schorpioenen.

Maar dan krijgen we het koud: de aarde raakt bedekt met ijs en zeeën drogen op. We zien de meeste planten en dieren weer verdwijnen. Dit is het einde van het Devoon.

Nog zo'n mechanisme dat steeds weer terug keert: in een ijstijd drogen de zeeën op omdat dan veel water in het ijs wordt opgenomen. In een warme tijd is er juist veel water en breiden zeeën zich uit.

Carboon

We zien vanuit onze tijdcapsule dat meer platen losscheuren van het oude continent op de Zuidpool en ronddrijven op de magmazee van de aarde. Als botsautootjes drijven ze naar elkaar toe, botsen en klonteren samen. Ook Laurussia doet mee en botst tegen het grote Gondwana waarbij microcontinentjes die tussen hen in lagen in de verdrukking komen. Op het botsvlak ontstaat een hoog gebergte, het Hercynisch Gebergte. Het Rijnmassief dat de Ardennen (en dus ook Zuid-Limburg), Eifel, Sauerland, en Harz omvat, is hier een restant van. We zien een supercontinent ontstaan en we noemen het Pangea.

Terwijl het gebergte zich oprijst om ons heen, rijst Nederland mee uit zee. We zien moerasbossen met bomen van wel 40 meter hoog (flat van 13 verdiepingen). Plantenresten in die moerassen verteren slecht en worden veen, klinken in, worden bruinkool en tenslotte steenkool.

Dan zien we dat de bossen weer verdwijnen: hoge bergen langs kusten houden regen tegen en maken dat het land er achter verdort tot een grote woestijn. Dat is het einde van het Carboon.

Perm

We zoomen steeds meer in op Nederland. We zien dat het uitdroogt en bedekt raakt met dikke zoutkorsten. We zien zandstormen die rood zand vermengen met dit zout. Ons zout komt eruit.

Het wordt warmer en warmer: warmt de aarde 5 graden op? Of zelfs 10 graden? We doen ons raampje dicht want we krijgen het benauwd buiten: de lucht bevat te weinig zuurstof, teveel kooldioxide en het stinkt naar rotte eieren: waterstofsulfide. Wij kunnen het raampje dicht doen, maar we zien dat vrijwel alle dieren op de hele aarde sterven. Dat is het einde van het Perm en van het Paleozoïcum. Het is dan 22:38 uur (= 255 miljoen jaar geleden) op onze geologische dag.

Waar kunnen we laat Paleozoïcum rond Nederland zien?

Veel van onze delfstoffen halen we uit lagen uit het Devoon, Carboon en Perm, maar ook om ons heen zien we gesteenten uit het Devoon en Carboon.

Het is tien over half elf ’s avonds; de dag is al bijna voorbij. We gaan even naar Tjuchem waar het diepste boorgat van de NAM zit, en kijken naar beneden.

22.38 – 23.39 Nederland in het Mesozoïcum

We stappen om 22:38 uur (= 255 miljoen jaar geleden) weer in onze tijdcapsule en kijken naar Nederland in het Mesozoïcum: Trias, Jura, Krijt. De begrippen worden al iets bekender. Jura is een gebergte in Frankrijk immers, en Krijt kennen we allemaal wel.

Het verhaal van het Mesozoïcum

Pangea drijft nog steeds naar het noorden. Maar we zien dat het oostelijk deel sneller gaat dan de rest en losscheurt van het grote moedercontinent: China, Rusland, en alles ten noorden daarvan gaat ervandoor. Europa draait mee met Gibraltar als scharnierpunt: deze drie samen vormen een continent dat we Eurazië noemen.

Achter blijft Afrika, waar Arabië en India aan vast zit, en tussen Afrika en Eurazië opent zich een nieuwe oceaan, de Thetyszee. Een fascinerend gezicht. Maar dan zien we een grote noord-zuid scheur ontstaan; het westelijk deel, Amerika, scheurt los en de Atlantische Oceaan opent zich. We zien India zich losscheuren van Afrika en in een razend tempo op weg gaan naar China. We zien dat het grote Pangea waarin ongeveer al het land zich had verzameld, in korte tijd uiteen is gevallen in kleine brokstukken. We zien dat de Thetyszee duizenden kilometers breed wordt waarin zich onder water kilometers dikke pakketten zandige kalken afzetten.

Zelfs vanuit onze tijdcapsule kunnen we grote dieren zien: dinosaurussen. 33 minuten van onze dag (= 100 miljoen jaar) kijken we gefascineerd toe. Het is overigens warm buiten, rond Nederland lijkt het wel de Tropen. In die tropen is het onaangenaam heet; op de polen is het wel lekker. De dinosaurussen kunnen er beter tegen dan wij.

Omdat het op de hele wereld warm is, is er geen ijs en staat het water hoog. Nederland ligt in zee en zakt steeds verder wat leidt tot kilometers dikke pakketten kalkrijke afzettingen. De oudste komen hier en daar in het oostelijk grensgebied aan het maaiveld; de jongere zijn de bekende krijtrotsen van Limburg.

En dan om tien over half twaalf ’s nachts (23:39 = 66 miljoen jaar geleden) schrikken we: boemm. Een meteoriet slaat in. We zien niets meer door het stof. Als het stof is opgetrokken, zijn de Dinosaurussen weg.

Waar kunnen we Mesozoïcum zien?

Het Mesozoïcum ligt in Nederland in het oosten en het zuiden aan het maaiveld. Van de stenen wordt van alles gemaakt, en we zien het in elke stad wel terug. Kijk met me mee.

Het is 21 minuten voor middernacht, en we moeten het Tertiair en alle ijstijden nog. Klopt het wel? Jazeker!

23.39 – 23.59.23 uur: Nederland in het Tertiair

We stappen om 23:39 uur (= 66 miljoen jaar geleden) weer in onze tijdcapsule en reizen verder door het Tertiair.

Het verhaal van het Tertiair

De vierde en laatste periode na Precambrium, Paleozoïcum en Mesozoïcum heet het Kenozoïcum, maar dat is niet zo’n handige maat voor onderzoek van Nederland, want dat staat dan gelijk aan ‘alles min een paar plekjes bij Kotten, Buurse, Glane en Zuid-Limburg’. Het Kenozoïcum verdelen we onder in Tertiair en Kwartair en dat verdelen we verder onder.

De Wereldkaart wordt vertrouwd

Terwijl wij in onze tijdcapsule de aarde achterna reizen door het Tertiair, zien we dat de wereld in deze 64 miljoen jaar totaal op zijn kop wordt gezet. We verbazen ons erover hoe snel India over de Thetyszee drijft naar Eurazië en dan tegen China botst. De zeebodem komt omhoog en de Himalaya rijzen op. Het grote logge Afrika gaat ook op weg en drijft naar het noorden en komt in botsing met Europa. Ook daar komt de Thetyszee ertussen omhoog, Italië wordt land en dringt als een gigantische vuist Europa binnen: de Alpen rijzen op. Griekenland komt ook op uit zee, het ene na het andere eiland komt boven. Spanje komt in de verdrukking en duwt tegen Frankrijk aan waarbij de Pyreneeën oprijzen. De Middellandse Zee zien we als het laatste stukje van de grote Thetyszee die eens tussen Afrika en Eurazië lag.

Aan het eind van het Tertiair zien we eindelijk de ons zo vertrouwde wereldkaart.

Al deze processen gaan nog steeds door overigens. De Himalaya, Alpen en Pyreneeën worden hoger, de Middellandse Zee wordt kleiner, de Atlantische Oceaan groter. En in het oosten van Afrika breken nog steeds stukken continent af, eerst Arabië en nu ook het deel ten oosten van de Great Rift Valley.

Nederland in het Tertiair

Wat gebeurt er intussen in Nederland? Niets. Het Rijnmassief, zoals Sauerland, de Eifel en de Ardennen, rijst mee omhoog met de Alpen. Oude rivieren zoals de Rijn houden het proces van opheffing keurig bij en snijden zich in hetzelfde tempo in. Vandaar dat het Rijnmassief meer op een hoogvlakte lijkt met ingesneden dalen, dan op een gebergte zoals de Alpen: er rijzen geen bergen op, maar er snijden dalen in.

Zuidoost Nederland rijst mee met het Rijnmassief, noordwest Nederland zakt en zakt en zakt nog steeds – diagonaal door Nederland loopt een scharnier. Kilometers dikke zeepakketten worden afgezet. Soms is heel Nederland zee en worden overal Noordzeelagen afgezet, soms is een deel land, en die lagen ontbreken dan in Zuidoost Nederland.

En dan, om 23:59:27, dus 33 seconden voor middernacht (= 2,6 miljoen jaar geleden) krijgen we het koud in onze tijdcapsule. IJskappen groeien, zeeën drogen op en we zien zeedieren uitsterven. Dit moment is het einde van het Tertiair.

Een scharnier door Nederland

Zuidoost Nederland zit aan de Ardennen en de Alpen vast en rijst met die gebergten mee omhoog. Noordwest Nederland zakt doordat de Atlantische Oceaan groter wordt en de aardkorst daar uitrekt. Ook daalt de Noordzee nog altijd doordat Scandinavië nog altijd bij moet komen van het zware gewicht van het ijs in de laatste ijstijd, en nog altijd terug veert; het Noordzeegebied zit daaraan vast en daalt daardoor. Er loopt dus een scharnier diagonaal door Nederland, als de as van een wip. Die as loopt van pakweg Emmen naar Breda. Kunnen we daar iets van merken? Jazeker, we merken het aan de Rijn, de Maas en de Vecht: die snijden zich in het oosten in, terwijl ze in het westen juist sediment afzetten.

Tertiair in Nederland

Het Tertiair is in Nederland op meerdere plekken te vinden. We stappen uit onze tijdcapsule om de benen te strekken en er iets van te bekijken. Het eerste dat opvalt is dat de lagen van het Tertiair geen harde gesteenten zijn waarmee je kerken kunt bouwen of waarvan je grafstenen of gevelplaten kunt maken. We kijken nu naar zand, grind en klei en we gaan naar Twente, de Achterhoek en Limburg.

23.59:23 tot 4 seconden voor middernacht: de Vroege IJstijden

33 Seconden voor middernacht (=2,6 miljoen jaar geleden) stappen we weer in onze tijdcapsule. De dag is nu echt bijna om en we herkennen nog helemaal niets van het ons bekende Nederland. Wij zitten in onze tijdcapsule en kijken naar buiten. Een seconde later krijgen we het koud: het Pleistoceen, de periode met de ijstijden, begint. Koude en warme periodes wisselen zich af.

Het verhaal van de vroege ijstijden

We zien het ijs groeien en de zee zakken tot wel honderd meter lager dan nu. De Noordzee droogt op en je kunt over de zeebodem van Nederland naar Engeland lopen. We zien dat Engeland een schiereiland was van Europa, de klifkusten van Dover en Normandië zien we nog niet.

Aan elke ijstijd komt een einde, wat zich voor onze ogen in de tijdcapsule in een razend tempo van seconden afspeelt. In een warme periode staat de zee een tiental meters hoger dan nu. Grote delen van ons land staan dan onder water. En dan komt de volgende ijstijd, en dan weer een en weer een en weer een. Tientallen ijstijden en warme periodes wisselen elkaar af, maar het ijs bereikt nooit Nederland

Elsterien: het ijs komt naar Nederland

Maar dan tijdens het Elsterien, 6 seconden voor middernacht in onze tijdcapsule (= 450.000 jaar geleden), bereikt het ijs ook Nederland. Misschien heeft het eerder ook Nederland wel bereikt, maar daar hebben we nog geen bewijs voor. Bij Terschelling is in een boring keileem uit het Elsterien aangeboord, en keileem is een ijs-afzetting, dus daar lag toen ijs.

De Rijn, Maas en Eridanos

De Noordzee is in een ijstijd, als de zee tot wel 150 meter lager staat dan nu, de delta van drie grote rivieren Eridanos, Rijn en Maas. De Eridanos is een duizenden kilometer lange superrivier, die door de Oostzee stroomde naar het zuidwesten. De Rijn stroomde vanuit de Alpen via het IJsseldal en de Maas vanuit de Ardennen via de Gelderse Vallei zover mogelijk naar het noorden. De Maas was aanvankelijk veel groter dan nu: de Moezel heeft een heel stuk van de bovenloop weggekaapt.

Het ijs zocht uiteraard vanuit het noorden ook eerst de lage rivierdalen op en blokkeerde de loop van de grote drie rivieren. Zij waren gedwongen een nieuwe loop te zoeken en bogen vlak onder een ijsveld af naar de zee in het westen. Samen vormden de drie rivieren een gigantische stroomvlakte naar het noordwesten.

Dan wordt het weer warmer en het ijs van het Elsterien smelt weg. Hier eindigt voor Nederland de periode van de Vroege IJstijden. In Friesland, Groningen en Drenthe vinden we restanten uit het Elsterien terug.

4 tot 2 seconden voor middernacht: het Saalien

Om 4 seconden voor middernacht (=300.000 jaar geleden) stappen we weer in de tijdcapsule en kijken naar buiten. Nog vier seconden en dan zit onze lange reis erop, en we herkennen nog steeds niets van ons land. De reis door het Saalien duurt 2 seconden.

Het verhaal van het Saalien

In Europa speelt Nederland een bijrolletje. Hier een kaart met de ijsranden in Europa; zoek je de Sallandse Heuvelrug even op?

We kijken niet naar Europa maar schrijven het Verhaal van Nederland. Dit is mijn tekening hoe het ijs in het Saalien in Nederland schoksgewijs uitgegroeid is met drie ijsranden.

De noordelijke ijsrand in Groningen

Vanuit onze tijdcapsule kijken we gefascineerd toe. We zien het ijs komen vanuit het noordoosten en een tijdje stil liggen in noordoost Groningen. We zien ijstongen die vooruit glijden, we zien het ijs dikker worden en diep wegzakken in de losse grond. En dan zien we het: rond de tongen ontstaan rimpeltjes: de grond perst zich onder het ijs weg, opzij en naar voren, omhoog tot stuwwallen. Kleilagen fungeren als glijmiddel. Alsof we een voetstap in het zand zetten

NB: In veel oudere literatuur wordt verteld dat de ijstong als een soort bulldozer materiaal voor zich uit schoof. Dat kan, dat noemen we eindmorene, maar zo zijn niet onze stuwwallen ontstaan.

We zien dat de Eridanos door dit ijs wordt geblokkeerd en zuidelijker gaat stromen langs het ijs.

De middelste ijsrand Texel – Hardenberg: de Gaasterland ijsrand

Dan zien we dat het ijs verder groeit en blijft liggen op de lijn Texel-Hardenberg. We noemen dit de Gaasterland ijsrand. Ook daar zien we diepe dalen ontstaan met stuwwallen langs de randen en een brede smeltwaterrivier ten zuiden ervan. Deze rivier neemt niet alleen smeltwater uit de ijstongen op, maar ook van de Eridanos, de Rijn en de Maas.

Dan zien we iets fascinerend (en dat allemaal in 2 seconden). De noordelijke Noordzee is bevroren en het vele smeltwater + Eridanos + Rijn + Maas kunnen geen kant op. We zien dat al dit water uiteindelijk een uitweg vindt naar het zuidwesten tussen Dover en Calais door. Dit beginnende dalletje slijpt snel verder en uiteindelijk zien we zo het Nauw van Calais ontstaan met de steile klifkust aan weerszijden. Het is ongelooflijk en het is een theorie.

De zuidelijke ijsrand Haarlem – Duisburg: de HUND-lijn

Dan zien we dat het ijs verder groeit. We zien vooruitgeschoven ijstongen het lage Rijndal (de IJsselvallei) en het Maasdal (de Gelderse Vallei) indringen. Vooral de tong in de IJsselvallei is groot. Een deel daarvan gaat westwaarts verder naar beneden, tussen Arnhem en Nijmegen door de Betuwe in. Een tweede deel gaat verder naar het zuiden en bereikt uiteindelijk bij Duisburg in Duitsland de zuidelijkste punt.

2 seconden voor middernacht (= 150.000 jaar geleden) blijft het ijs liggen op de HUND- lijn: Haarlem – Utrecht – Nijmegen – Duisburg. We zien het proces zich herhalen: weer zien we diepe dalen ontstaan met stuwwallen langs de randen en een brede smeltwaterrivier ten zuiden ervan. Deze rivier neemt smeltwater uit de ijstongen op, plus van de Rijn en de Maas. Van de Eridanos is niet veel meer over na alle tegenslagen; andere rivieren zoals de Wolga hebben zijn water afgepakt.

De Rijn stroomt vanuit de Alpen via het IJsseldal en de Maas vanuit de Ardennen via de Gelderse Vallei zover mogelijk naar het noorden tot ze door het ijs worden tegengehouden en buigen dan vlak onder het ijs af naar het westen, naar zee. Ze krijgen gigantische hoeveelheden water te verwerken want uiteraard zijn ook de ijsvelden op de Alpen en in de Ardennen veel groter dan nu. Dit water komt voor de stuwwallen samen met het vele water wat van onder de ijslobben wegstroomt. Zoals altijd zoekt water zijn eigen weg naar beneden, naar het westen. Het oerstroomdal van de Rijn, Maas en Waal ontstaat.

Het ijs smelt

Om ietsje minder dan 2 seconden voor middernacht (125.000 jaar geleden) begint al het ijs te smelten.

Smeltwater vecht zich een weg naar beneden en breekt op diverse plaatsen door de stuwwallen heen en voegt zich bij de Rijn en de Maas. Grote delen van de stuwwallen verdwijnen in het water en er ontstaan puinwaaiers die we sandrs noemen naar de grote vlaktes onder de gletsjers in IJsland.

De Rijn kan geen kant op en er ontstaat een meer in Duitsland tussen het smeltende ijs in de IJssel en de stuwwallen van Haarlem – Duisburg. De stuwwal tussen Nijmegen en Montferland begeeft het: de Gelderse Poort ontstaat. De Rijn en Maas vinden ongeveer hun huidige loop. We zien in Drenthe een soort waterval, een ijsstroom naar het laag liggende meer bij Munster.

Op andere plaatsen is er juist helemaal geen geweld. In rustige smeltmeren op beschermde plaatsen in oksels van stuwwallen bezinkt sediment rustig, en daar ontstaan terrassen met keurige horizontale laagjes: kameterras. Typisch voor smeltmeren is dat er grote brokken ijs in ronddrijven. Het duurt jaren voor zo’n brok ijs helemaal gesmolten is, en als het brok pas smelt nadat het jarenlang half ingegraven in kameterras heeft gelegen, ontstaan doodijskuilen zoals je zo mooi bij Garderen kunt zien.

Als het ijs weg is, is het nog steeds 2 seconden voor middernacht (1 seconde in onze tijdcapsule is namelijk ongeveer 75.000 jaar in het verhaal).

De ravage die het ijs achter heeft gelaten: landvormen uit het Saalien

En dan, als het ijs gesmolten is, zien we de ravage die het ijs heeft achtergelaten. We zien stuwwallen, diepe bekkens, keileem: we beginnen ons land te herkennen, maar het is allemaal veel heftiger dan nu. Op veel plekken kun je nog altijd al die fantastische glaciale landvormen zien.

2 seconden tot een tiende seconde voor middernacht: het Weichselien

Na het Saalien wordt het lekker warm in onze tijdcapsule en we kijken uit over een groen Nederland. Maar de vreugde duurt maar kort, een vijfde seconde (= 15.000 jaar).

Het verhaal

De laatste twee seconden van onze reis zijn weer ijskoud. We zien dat het noordelijk halfrond bedekt raakt onder uitgestrekte ijskappen, die zelfs nog verder zuidelijk reiken dan die in het Saalien. Maar op een of andere manier ontspringt Nederland de dans. We zien dat ons land bitter koud wordt, met gure winden, lange winters en permafrost in de bodem. We zien dat een deel van de landvormen uit het Saalien bedekt raken onder zand.

De rit door het Weichselien duurt bijna twee seconden, we zijn er bijna. Om een tiende seconde voor middernacht stappen we nog een keer uit om een lange wandeling te maken. Heerlijk als je zo’n lange wandeling in een duizendste seconde kunt doen.

Landvormen uit het Weichselien

Nederland ligt vol landvormen uit het Weichselien.

De laatste tiende van een seconde: het Holoceen

Het verhaal

De laatste tiende van een seconde (= 10.000 jaar) reizen we door het Holoceen, de warme tijd waarin wij onze stempel drukken op het land. In het Holoceen wordt nog steeds ons land gevormd en dat proces gaat altijd door. Voor een deel zijn dat natuurlijk processen, voor een deel doen wij dat zelf.

Wij vinden onszelf misschien heel belangrijk en van grote invloed op het landschap, maar we zijn nog steeds maar een klein onderdeeltje van de grote processen. Van veel meer invloed is dat het land daalt, dat het hele continent naar het noorden drijft met 2 cm per jaar. Over een miljoen jaar is alles wat wij nu doen bedekt onder een honderd meter dikke laag zand.

En dan is het weer middernacht, onze reis zit erop. We hebben de tegenwoordige tijd bereikt.

Waar kunnen we landvormen uit het Holoceen zien?

Overal kunnen we landvormen uit het Holoceen zien, want het Holoceen ligt bovenop. Sommige landvormen zijn natuurlijk zoals duinen, hoogveenkussens en meerstallen. Andere landvormen hebben we zelf gemaakt: polders, dijken, vuilstorthopen, leemgroeves, ijzerkuilen. Dit blog staat er vol mee.

Naar huis

Precies middernacht stappen we uit in onze eigen woonplaats. Genoeg te zien hier, maar onze reis zit erop.

Alle afbeeldingen

  • Tertiair in Nederland
  • oerstroomdalen in nederland

8 thoughts on “Het Verhaal van Nederland als een tijdreis

    1. Jazeker, maar alleen in Friesland en Groningen en Noord Drenthe. Van sommige bultjes is niet duidelijk wanneer het materiaal is opgestuwd, want het geweld uit het Saalien heeft alles verwoest. In elk geval is potklei uit het Elsterien.

  1. Onder doorbraakdal vroeg je je af hoe de situatie in Twente en Salland is. De glaciale reeks is daar niet goed terug te vinden. Alle fenomenen die je onder pradolina aanroert zijn er niet (goed) terug te vinden. Maar dat is op de noordelijke Veluwe ook zo. Die stuwwallen zijn allemaal opgeworpen aan de zijkant van een ijslob (eentje in de IJsselvallei en de andere in wat nu Duitsland is. Ik las naar aanleiding van je post over de esker van Langeveen nog wat over de Munsterlander Kiessandzug terug, en daar werd opgeworpen dat er een ijslob heeft gelegen tussen Langeveen dus, en Neuenkirchen (ongeveer bij Rheine), die is afgesmolten terwijl de naastliggende ijsmassa’s nog aanwezig waren, als mogelijke verklaring van de esker-achtige structuur van de MKZ die te groot is voor een esker eigenlijk, en waarbij ze dan de Twente-Achterhoek Rinne postuleren, een geul die overeenkomt met de esker van Langenveen en het tunneldal door de oostelijke Achterhoek. Het smeltwater zou dan tussen de ijslobben zijn afgevoerd naar het zuiden, en daarbij zou een geul in de ondergrond zijn geslepen. In het Munsterland kon dat nog wel eens in vast gesteente zijn geweest. Ik las iets van Krijt?

    Ik heb wel het idee dat er in Duitsland op een iets grotere schaal processen worden nagevorst, want je kan het niet over elk hobbeltje hebben.

    1. Ik stel het bijzonder op prijs dat je zo meedenkt met deze site. En dan met name over Salland en Twente, wat ik weliswaar goed ken maar me geomorfologisch minder mee bezig houd. Omdat het niet volgens de boekjes netjes voor je uitgespreid ligt, en natuurlijk ook omdat ik er lastiger kan komen. Eigenlijk is het enige stukje dat netjes volgens het schema klaarligt het zuidelijke deel van de Utrechtse Heuvelrug.
      Mijn prof Kroonenberg zei dat een hypothese waar is tot het tegendeel bewezen is, en dat je hem dan ook moet durven loslaten. Dat laatste doet niet iedereen, die houden krampachtig vast aan een theorie ook al is die niet geloofwaardig meer. Wat ik lastig vind, is het beoordelen van oudere literatuur over Salland en Twente. De hypothesen spreken elkaar tegen. Dus wat is inmiddels achterhaald en wat is nog houdbaar? Ik vind het ongeloofwaardig dat de enige esker van Nederland toevallig ook nog eigenlijk te groot is volgens de theorie van de eskers. Een woeste smeltwaterrivier die verderop een dal uitslijpt komt beter met de grootte overeen. Een soort oerstroomdal (pradolina) van de smeltende ijslob naar het zuiden. Naar de Oude IJsel? Hoe kan het dat de oostelijke ijstong smolt en die ernaast nog niet?

      De esker begint ten zuiden van een stuwwal, dat is raar, dan horen die twee niet bij elkaar. Ik houd van logica, ik vind dit niet logisch.
      Iets anders, zag je dat er op de geomorfologische kaart een kame ligt in de Sallandse Heuvelrug en ook eentje bij Borne?

      Dat de Duitsers niet elk hobbeltje apart onderzoeken is inderdaad waar. Logisch natuurlijk. Maar hier is elk bultje bijzonder, en het is wel uniek dat we er zo in detail op ingaan.

Geef een reactie